De Kennisgroep IBR IB niet-winst/LB/PH aanslag heeft een standpunt gepubliceerd over de vraag: Indien gebruik wordt gemaakt van de uitzondering van de éénmalige, aaneengesloten periode van verblijf van drie maanden, kan in datzelfde kalenderjaar dan daarnaast ook nog gebruik worden gemaakt van de uitzondering van de jaarlijkse periode van verblijf van zes weken?
Ja
Het antwoord luidt: ja. Naast toepassing van de eenmalige uitzondering van drie maanden kan in een kalenderjaar ook nog maximaal zes weken in Nederland worden verbleven, zonder dat dit verblijf op grond van het eerste lid van artikel 10ef UBLB 1965 in mindering komt op de looptijd.
Als hoofdregel geldt dat perioden van eerdere tewerkstelling en eerder verblijf in Nederland in de afgelopen vijfentwintig jaar in mindering worden gebracht op de looptijd. Dit blijkt uit artikel 10ef, eerste en tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: UBLB 1965). Het vierde lid van artikel 10ef UBLB 1965 regelt wat niet als eerder verblijf in Nederland geldt en luidt als volgt:
“Voor de toepassing van het eerste en tweede lid is de ingekomen werknemer niet in Nederland verbleven indien hij in elk kalenderjaar van de periode van vijfentwintig jaar in totaal niet langer dan zes weken in Nederland is verbleven wegens vakantie, familiebezoek of andere persoonlijke omstandigheden, waarbij in de periode van vijfentwintig jaar eenmalig een periode van maximaal drie aaneengesloten maanden in Nederland wegens vakantie, familiebezoek of andere persoonlijke omstandigheden niet in aanmerking wordt genomen.”
Taalkundige uitleg
Opvallend is dat de Kennisgroep met een lesje Nederlands. Men acht het belangrijk uit te leggen dat het woord “waarbij” in artikel 10ef, vierde lid, UBLB 1965 ‘betrekkelijk’ wordt gebruikt. “Dat wil zeggen dat wat volgt na het woord “waarbij” betrekking heeft op hetgeen dat ervoor gesteld is. Het woord “waarbij” verwijst naar de zinsnede “indien hij in elk kalenderjaar van de periode van vijfentwintig jaar in totaal niet langer dan zes weken in Nederland is verbleven”. Dat wil zeggen dat bij het bepalen van die zes weken eenmalig de desbetreffende periode van drie aaneengesloten maanden niet in aanmerking wordt genomen. Hieruit volgt dat beide uitzonderingen naast elkaar toegepast kunnen worden binnen hetzelfde jaar.
Geschiedenis
Daarna volgt een lesje Geschiedenis. “De uitzonderingen van artikel 10ef, vierde lid, UBLB 1965 zijn ingevoerd in het jaar 2001, in artikel 9e UBLB 1965 (oud). In 2012 zijn de uitzonderingen verplaatst naar artikel 10e UBLB 1965. In de parlementaire stukken, zowel bij invoering in 2001 als bij aanpassing in 2012, is geen nadere uitleg gegeven over hoe de uitzonderingen moeten worden geïnterpreteerd.”
Lees hier het standpunt.


Geef een reactie