Het Gerechtshof Den Haag heeft geoordeeld dat goed koopmansgebruik vereist dat een vordering op contante waarde wordt gewaardeerd, indien het verschil tussen de nominale waarde en de contante waarde aanzienlijk is. Tenzij er redenen zijn om dit niet te doen.
Y was enig aandeelhouder en als bestuurder in loondienst van A BV. Y is eigenaar en bewoner van een pand. Dit is een eigen woning in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001. De WOZ-waarde van de woning bedraagt € 945.000 en de eigenwoningschuld ultimo 2011 bedraagt € 1.229.036.
Ten behoeve van de financiering van de woning heeft de A BV aan Y leningen verstrekt. Deze kwalificeren als personeelslening in de zin van artikel 13, lid 3, onderdeel c, van de Wet op de loonbelasting 1964.
A BV en Y hebben op 4 januari 2010 een overeenkomst van geldlening. Op 4 januari 2010, heeft Y ook een bedrag van € 200.000 geleend van een 100 percent dochtervennootschap van de vennootschap, te weten B B.V. Deze lening is eveneens verstrekt ter financiering van de eigen woning. Het betreft een rentedragende schuld.
Bij overeenkomst van 27 december 2011 heeft Y de schuld aan B B.V. afgelost en hebben A BV en Y een aanvullende overeenkomst van geldlening gesloten. Uit deze overeenkomst blijkt dat er een rentedragende schuld was van € 200.000 en dat vanaf 31 december 2011 de totale renteloze lening € 300.000 bedraagt.
A BV verklaart namens naar dochtervennootschap, B B.V., dat de door laatstgenoemde vennootschap verstrekte lening ad € 200.000 is afgelost en dat B B.V. niets meer te vorderen heeft van Y.
A BV heeft de vordering van nominaal € 300.000 (de lening) op de eindbalans 2011 gewaardeerd op € 140.827. In haar aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2011 heeft A BV een bedrag van € 159.173 ten laste van haar winst gebracht.
Oordeel Gerechtshof
Het Gerechtshof Den Haag heeft geoordeeld dat goed koopmansgebruik vereist dat een vordering op contante waarde wordt gewaardeerd, indien het verschil tussen de nominale waarde en de contante waarde aanzienlijk is. Tenzij er redenen zijn om dit niet te doen (vgl. Hoge Raad 6 december 2000, nr. 35.997, ECLI:NL:HR:2000:AA8866, BNB 2001/85).
Tussen partijen is niet in geschil dat de lening onderdeel uitmaakt van het arbeidsvoorwaardenpakket van Y, dat de renteloosheid ervan voortduurt zolang sprake is van een actieve arbeidsverhouding tussen A BV en Y. Alhoewel er geen rente wordt gevorderd, is er wel een doorlopende tegenprestatie, namelijk arbeid. De waarde van arbeid is zakelijk, er is geen reden om een verlies ter zake van de vordering op te nemen.


Geef een reactie