Door deze inwerkingtreding kan voor de fbi de kwalificatie van bepaalde belangen wijzigen. Zo kan een belang in een voorheen niet-transparant lichaam met ingang van 1 januari 2025 als een belang in een transparant lichaam worden aangemerkt. Voor fbi’s kan deze overgang van een niet-transparant belang naar een transparant belang tot bijzondere knelpunten leiden. Om deze knelpunten op te lossen heeft de Staatssecretaris een tijdelijke goedkeuring getroffen. Voor aanvaarding van deze goedkeuring dient de bevoegde inspecteur uiterlijk op 22 september 2026 een schriftelijke verklaring te hebben ontvangen.
Het nieuwe besluit is een gevolg van de inwerkingtreding van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen en de Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling. Door deze inwerkingtreding kan voor de fbi de kwalificatie van bepaalde belangen wijzigen. Zo kan een belang in een voorheen niet-transparant lichaam met ingang van 1 januari 2025 als een belang in een transparant lichaam worden aangemerkt. Dit brengt mee dat met ingang van die datum, anders dan vóór 2025, de bezittingen en schulden van dat lichaam naar rato van het gehouden belang aan de fbi worden toegerekend (artikel 8, derde lid, Wet Vpb 1969 jo. artikel 2.14bis Wet IB 2001).
Voor fbi’s kan deze overgang van een niet-transparant belang naar een transparant belang tot bijzondere knelpunten leiden.
Uitdelingsverplichting
Voor fbi’s levert de voornoemde wijziging van een niet-transparant belang naar een transparant belang een bijzonder knelpunt op voor de uitdelingsverplichting. Het fbi-regime vereist op grond van artikel 28, tweede lid, onderdeel c, Wet Vpb 1969 en artikel 2 Besluit Beleggingsinstellingen (BBI) dat fbi’s een deel van de winst, niet later dan in de achtste maand na afloop van het jaar uitdelen. Deze uit te delen winst kan voordelen bevatten die voortvloeien uit bezittingen en schulden die zich bevinden in een (eventueel middellijk) gehouden lichaam dat vanaf 1 januari 2025 transparant is geworden, als gevolg waarvan de bezittingen en schulden aan de fbi worden toegerekend. Voor de fbi kan deze wijziging dus leiden tot een verplichting tot uitdeling van winst die verband houdt met bezittingen en schulden die niet tot het vermogen van de fbi zelf behoren en waarover de fbi als zodanig geen directe beschikkingsmacht heeft.
Financieringslimiet
Een ander knelpunt dat ontstaat door de overgang van een niet-transparant naar een transparant belang bij samenloop met het fbi-regime, betreft de zogenoemde financieringslimiet van het fbi-regime (zie artikel 28, tweede lid, onderdeel b, Wet Vpb 1969) Deze limiet beoogt (forfaitair) te waarborgen dat de omvang van de schulden en daarmee het daaraan verbonden risico niet meer bedraagt dan wat past bij het vereiste beleggingskarakter van de werkzaamheden (beleggingsvereiste). Tot de schulden van de fbi behoren ook de schulden die zich bevinden in een (eventueel middellijk) gehouden lichaam dat vanaf 1 januari 2025 transparant is geworden en die op grond daarvan als eigen schulden van de fbi zelf worden aangemerkt (artikel 8, derde lid, Wet VPB 1969 jo. artikel 2.14bis Wet IB 2001). De fbi is echter in de regel civieljuridisch niet de schuldenaar van deze schulden. De toerekening van schulden, waarvoor de fbi niet het crediteurenrisico draagt, kan ertoe leiden dat niet wordt voldaan aan het beleggingsvereiste.
Tijdelijke goedkeuring
Gelet op deze bijzondere knelpunten met betrekking tot de uitdelingsverplichting en de financieringslimiet keurt de Staatssecretaris het volgende goed: Fbi’s mogen voor de winstbepaling ten behoeve van de uitdelingsverplichting en voor de financieringslimiet de op het moment onmiddellijk voorafgaand aan 1 januari 2025 (eventueel middellijk) gehouden belangen in lichamen die op dat moment als niet-transparant golden en die met ingang van
1 januari 2025 als transparant worden aangemerkt als gevolg van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen en de Wet aanpassing fonds voor gemene rekening en vrijgestelde beleggingsinstelling, in aanmerking nemen alsof sprake is van een belang in een niet-transparant lichaam. Deze goedkeuring geldt gedurende een overgangsperiode van zeven boekjaren dan wel, indien deze periode korter is, de periode waarin de fbi het desbetreffende belang bezit. Indien sprake is van een gebroken boekjaar wordt de periode vanaf 1 januari 2025 tot aan het moment waarop het eerstvolgende boekjaar aanvangt, voor de toepassing van deze termijn als apart boekjaar aangemerkt. De maximumtermijn van zeven jaar is gebaseerd op een gebruikelijke investeringshorizon van vijf tot zeven jaar. Als gevolg daarvan kan naar verwachting het voornaamste deel van de (reeds lopende investeringen) onder deze goedkeuring worden afgewikkeld.
Verder merkt de Staatssecretaris volledigheidshalve op dat na afloop van de goedkeuring (zeven jaar of korter), de vraag of de fbi voldoet aan de uitdelingsverplichting en de financieringslimiet telkens op het niveau van de fbi wordt getoetst met inachtneming van de toerekening ingevolge artikel 8, derde lid, Wet Vpb 1969 jo. artikel 2.14bis Wet IB 2001.
Schriftelijke aanvaarding
Deze goedkeuring geldt onder de voorwaarde dat de fbi tegenover de bevoegde inspecteur schriftelijk verklaart deze goedkeuring toe te passen gedurende de gehele zevenjaarsperiode dan wel, indien deze periode korter is, de periode waarin de fbi het desbetreffende belang bezit. Deze verklaring wordt aan de inspecteur gezonden binnen drie maanden na dagtekening van het besluit waarin deze goedkeuring kenbaar is gemaakt. Aangezien de dagtekening van het besluit 22 juni 2026 is, dient de verklaring uiterlijk op 22 september 2026 (een week na Prinsjesdag) door de bevoegde inspecteur ontvangen te zijn.
Kanttekeningen
De hier gegeven goedkeuring geldt alleen voor belangen die op 1 januari 2025 al bestonden. Verder geldt de goedkeuring voor maximaal zeven jaar. De fbi moet verklaren deze regeling toe te passen voor deze hele periode van zeven jaar of de kortere periode dat het belang wordt gehouden. Verder geldt de goedkeuring slechts vanaf 22 juni 2026 en niet met terugwerkende kracht tot 1 januari 2025. Het Register Belastingadviseurs heeft samen met De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs en de Samenwerkende Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten aan het Ministerie van Financiën gevraagd of verdere terugwerkende kracht mogelijk is. Tot daar duidelijkheid over is zul je het moeten doen met de huidige terugwerkende kracht tot 22 juni 2026.


Geef een reactie