De rechter in Amsterdam oordeelt dat de advocaat een voorgestelde betalingsregeling mocht weigeren en veroordeelt beide vennootschappen hoofdelijk tot betaling van het openstaande bedrag. Wel krijgt de advocaat slechts het wettelijke minimumbedrag aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen, omdat hij zijn hogere kosten onvoldoende had onderbouwd.
Facturen advocaat
De zaak draaide om juridische werkzaamheden die de advocaat begin 2025 verrichtte op basis van een opdracht van de bestuurder van de holding, die destijds ook medeaandeelhouder en medebestuurder was van het accountantskantoor. Voor die werkzaamheden stuurde de advocaat meerdere facturen. Een factuur van 22 april 2025 ter hoogte van € 5.456,41 inclusief btw werd niet binnen de overeengekomen termijn van veertien dagen betaald.
Samenwerking beëindigd
Kort na het verstrijken van de betalingstermijn liet de bestuurder per e-mail weten dat hij de samenwerking wilde beëindigen en zou overstappen naar een andere advocaat. Enkele weken later meldde hij dat er onvoldoende middelen waren om de factuur te voldoen en stelde hij voor om tot een oplossing te komen. De advocaat stelde daarop de vennootschappen in gebreke, maakte aanspraak op wettelijke handelsrente en sommeerde betaling van het factuurbedrag, vermeerderd met rente en incassokosten. Een voorstel om het openstaande bedrag in zeven maandelijkse termijnen te voldoen, wees hij af.
Rechtbank
Tijdens de procedure erkenden beide vennootschappen dat de overeenkomst tot stand was gekomen en dat de factuur verschuldigd was. Zij voerden aan dat zij inmiddels enkele deelbetalingen hadden verricht en dat het onredelijk was dat de advocaat niet wilde instemmen met een betalingsregeling. Volgens de advocaat waren beide vennootschappen hoofdelijk aansprakelijk en was hij niet verplicht een regeling te accepteren.
De kantonrechter stelt voorop dat de kern van het geschil bestaat uit twee vragen: welk bedrag nog verschuldigd is en of de advocaat de betalingsregeling mocht weigeren. Daarbij overweegt de rechter dat de reeds verrichte betalingen op grond van de wet eerst in mindering komen op verschuldigde kosten en rente en pas daarna op de hoofdsom.
Incassokosten ingeperkt
Ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten volgt de rechter de advocaat slechts zeer beperkt. Omdat sprake is van een handelsovereenkomst en de betalingstermijn is verstreken, zijn de debiteuren minimaal € 40 aan incassokosten verschuldigd. De advocaat had echter ruim € 640 gevorderd en stelde dat hij zelf declarabele tijd had besteed aan incassowerkzaamheden. Die vordering strandt op de dubbele redelijkheidstoets. De rechter oordeelt dat onvoldoende is geconcretiseerd welke werkzaamheden zijn verricht en hoeveel tijd daarmee gemoeid was, zodat niet kan worden vastgesteld dat de kosten redelijk en noodzakelijk waren. Een vergoeding boven het wettelijke minimum wordt daarom afgewezen.
Rente
De wettelijke handelsrente over de te laat betaalde factuur wijst de kantonrechter wel toe. Hoewel de rechter opmerkt dat de renteberekening vragen oproept, onder meer over het verbod op rente-op-rente binnen één jaar, hebben de vennootschappen de hoogte van de verschenen rente niet betwist. Handelsrente over de incassokosten en over de proceskosten wordt daarentegen afgewezen, omdat die verplichtingen niet voortvloeien uit de handelsovereenkomst.
Na correctie van de incassokosten resteert een openstaand bedrag van € 3.369,94. Dat bedrag wordt toegewezen, vermeerderd met wettelijke handelsrente over het restant van de hoofdsom vanaf 15 oktober 2025. Omdat vaststaat dat de overeenkomst met beide vennootschappen is gesloten en dit niet is betwist, spreekt de kantonrechter een hoofdelijke veroordeling uit. De advocaat mag het volledige bedrag bij ieder van hen innen, waarbij betaling door de één de ander bevrijdt.
Betalingsregeling
Het verzoek van de vennootschappen om alsnog een betalingsregeling op te leggen, wijst de kantonrechter af. De holding en het accountantskantoor stellen dat zij het gevorderde bedrag niet in één keer kunnen betalen. Daarom is een betalingsregeling aangeboden en zijn al een aantal betalingen (in totaal 3 termijnen) verricht.
De advocaat weigerde echter om een regeling aan te gaan. Uit artikel 6:29 BW volgt dat hij niet verplicht is om een betalingsregeling te treffen. Daaruit volgt ook dat de kantonrechter niet gerechtigd is om een betalingsregeling vast te stellen zonder instemming van de advocaat. Dat betekent dat – voor zover de gedaagde venootschappen dat verzocht hebben – er geen betalingsregeling in het vonnis kan worden opgenomen. Ze zijn dus gehouden om het openstaande bedrag ineens te betalen.


Geef een reactie