Dat oordeelde de voorzieningenrechter bij de rechtbank Rotterdam onlangs.
Conflict over eindafrekening en stilgelegde werkzaamheden
De zaak draait om een ondernemer die sinds 2008 haar boekhouding en fiscale aangiften had uitbesteed aan (rechtsvoorgangers van) administratiekantoor Yoda. In augustus 2024 ontving zij een eindafrekening over boekjaar 2022 van € 7.962,07 inclusief btw. Volgens het administratiekantoor was sprake van meerwerk, onder meer vanwege gebrekkige aanlevering van stukken.
De ondernemer betwistte de factuur en betaalde niet. Yoda legde vervolgens de werkzaamheden stil, waaronder het afronden van het jaarwerk 2024 en het indienen van de aangifte IB 2024. In kort geding vorderde de ondernemer afgifte van haar administratie over 2020–2024 en indiening van de aangifte, op straffe van een dwangsom.
Geen belang bij afgifte administratie
Maar de rechtbank wees de vordering tot afgifte van de administratie af. De ondernemer erkende dat zij zelf (kopieën van) de stukken had aangeleverd en op grond van de wettelijke bewaarplicht gehouden is haar administratie zeven jaar te bewaren. Daarmee ontbrak een voldoende onderbouwd belang bij afgifte door het administratiekantoor.
Opschortingsrecht gerechtvaardigd
Kern van het geschil was de vraag of Yoda de aangifte IB 2024 mocht opschorten wegens de onbetaalde factuur. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat sprake was van meerwerk en oordeelt dat de factuur niet op voorhand ondeugdelijk is. De ondernemer heeft de afzonderlijke posten bovendien niet gemotiveerd betwist. Daarmee kon niet worden uitgesloten dat (een deel van) het factuurbedrag verschuldigd is. Volgens de voorzieningenrechter mocht Yoda zich daarom beroepen op haar opschortingsrecht zolang betaling uitbleef:
“Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter beroept Yoda zich terecht op haar opschortingsrecht. Uit de door Yoda in het geding gebrachte correspondentie en stukken blijkt dat Yoda/ [persoon C] in de loop van de jaren meermaals het voorschot heeft verhoogd en dat Yoda bij [persoon A] meermaals om aanvullende administratieve stukken heeft verzocht (‘vraagposten’). De voorzieningenrechter acht op grond daarvan aannemelijk dat Yoda voor [persoon A] meerwerk heeft moeten verrichten, waarbij in aanmerking is genomen dat [persoon A] heeft nagelaten de posten op de factuur gemotiveerd te betwisten. De voorzieningenrechter acht gelet op de stukken niet uitgesloten dat de bij factuur van 24 augustus 2024 in rekening gebrachte werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht. De voorzieningenrechter gaat er dus – vooruitlopend op een door partijen aan te spannen bodemprocedure – van uit dat [persoon A] , ten minste een deel van, het factuurbedrag aan Yoda verschuldigd is, zodat haar een opschortingsrecht voor haar werkzaamheden toekomt zolang [persoon A] (een deel van) dat bedrag niet betaald”
Voorwaardelijke veroordeling tot indienen aangifte
Gelet op het spoedeisend belang — het uitstel voor de aangifte IB 2024 loopt af — veroordeelde de rechtbank Yoda wel om de aangifte te verzorgen, maar onder voorwaarden:
“Ter zitting heeft Yoda aangegeven nog steeds bereid te zijn de aangifte IB 2024 voor [persoon A] te verzorgen, mits zij het factuurbedrag (en de kosten voor het opmaken van de aangifte) voldoet en de benodigde stukken aanlevert (meer specifiek 114 facturen). Onder deze voorwaarden wijst de voorzieningenrechter de vordering, als hierna vermeld, toe. De voorzieningenrechter heeft daarbij gelet op het belang van [persoon A] bij een spoedige indiening van aangifte IB 2024, omdat de termijn hiervoor, zoals zij onbetwist heeft gesteld, in april 2025 verstrijkt en de omstandigheid dat Yoda tot nu geen maatregelen heeft genomen om het factuurbedrag te incasseren. Gelet op vorenbedoelde bereidheid van Yoda om de aangifte te verzorgen, verbindt voorzieningenrechter aan de veroordeling daartoe geen dwangsom. Met de betaling van [persoon A] vervalt ook het opschortingsrecht van Yoda.”
Binnen twee maanden na ontvangst van € 8.500 en de benodigde administratieve stukken (waaronder 114 facturen) moet Yoda het jaarwerk afronden en de aangifte indienen. Aan de veroordeling werd geen dwangsom verbonden, mede omdat Yoda had verklaard bereid te zijn de werkzaamheden uit te voeren zodra betaling plaatsvindt.
De proceskosten zijn gecompenseerd, nu beide partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld. Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen.


Geef een reactie