Ook een door Crowe Foederer gevorderd voorschot op schadevergoeding wegens het mislopen van een proceskostenvergoeding wordt afgewezen.
De zaak speelde tussen accountantskantoor Crowe Foederer, dat als fiscaal adviseur optrad, en een financiële holding waarmee sinds 2017 een zakelijke relatie bestond. In dat jaar ontstond een geschil met de Belastingdienst. De samenwerking werd in december 2017 vastgelegd in een overeenkomst van opdracht met uurtarieven en toepasselijke algemene voorwaarden.
Vaststellingsovereenkomst
Nadat bezwaren tegen belastingaanslagen in oktober 2021 ongegrond waren verklaard, ontstond tussen de partijen onenigheid over de hoogte van de facturen. Dat leidde op 4 februari 2022 tot een vaststellingsovereenkomst (VSO). Daarin werd onder meer afgesproken dat Crowe Foederer € 80.000 exclusief btw zou crediteren, dat voor het opstellen van beroepschriften een begroting van € 35.000 exclusief btw gold en dat voor iedere vervolgfase van de procedure vooraf een kostenindicatie zou worden verstrekt. Als de opdrachtgever het niet eens was met die begroting, stond het hem vrij een andere adviseur in te schakelen.
De beroepschriften werden opgesteld en betaald. Ook een later overeengekomen begroting van € 26.490 exclusief btw voor aanvullende werkzaamheden rond een mogelijke schikking werd voldaan. Daarna factureerde Crowe Foederer echter nog diverse bedragen, die samen met rente en incassokosten resulteerden in een vordering van € 69.084,70.
Volgens de adviseur had hij meer werkzaamheden verricht dan waarvoor was betaald, onder meer ter voorbereiding van een conclusie van repliek. Ook zonder expliciete goedkeuring van een kostenbegroting zouden die werkzaamheden volgens hem in het belang van de opdrachtgever zijn verricht en daarom voor vergoeding in aanmerking komen. Hij beriep zich daarbij op artikel 7:411 BW, de oorspronkelijke overeenkomst uit 2017, de algemene voorwaarden en subsidiair op zaakwaarneming.
Oordeel
De rechtbank stelt voorop dat de kern van het geschil ligt in de uitleg van de VSO. Daarbij hanteert zij de maatstaf van artikel 3:33 en 3:35 BW: beslissend is wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden, in het licht van alle omstandigheden van het geval.
Volgens de rechtbank hebben partijen met de VSO “allesomvattende afspraken” gemaakt over de verschuldigde bedragen, zowel voor het verleden als voor de lopende en toekomstige werkzaamheden. De overeenkomst was tot stand gekomen nadat de opdrachtgever de facturen te hoog vond en beoogde duidelijkheid en controle te creëren over toekomstige kosten. Uit de tekst van de VSO, waarin is opgenomen dat bij iedere stap in het vervolg van de procedure vooraf een indicatie van de declaratie wordt gegeven, leidt de rechtbank af dat werkzaamheden per fase pas voor vergoeding in aanmerking komen als vooraf een kostenbegroting is verstrekt en geaccepteerd.
Het ontbreken van het woord “goedkeuring” in de VSO maakt dat volgens de rechtbank niet anders. De bedoeling van de overeenkomst zou zinledig worden als zonder voorafgaande instemming toch gefactureerd kon worden. Dat de opdrachtgever geen andere adviseur heeft ingeschakeld nadat een begroting was toegezonden, kan niet worden opgevat als stilzwijgende aanvaarding.
Omdat voor de betwiste werkzaamheden geen vooraf geaccordeerde begroting bestond, volgt de verschuldigdheid van de openstaande facturen noch uit de VSO, noch uit nadere afspraken. Het beroep op artikel 7:411 BW en op de oorspronkelijke overeenkomst faalt, omdat partijen met de VSO van eerdere afspraken en van de wettelijke regeling zijn afgeweken. Ook het beroep op zaakwaarneming wordt verworpen, nu tussen partijen een contractuele rechtsverhouding bestond.
De rechtbank wijst daarnaast de gevorderde rente en incassokosten af, omdat onvoldoende duidelijk is wanneer de – wél verschuldigde – bedragen opeisbaar zijn geworden en of sprake was van verzuim.
Schadevergoeding afgewezen
Verder had Crowe Foederer een verklaring voor recht gevorderd dat de opdrachtgever toerekenbaar was tekortgeschoten, althans onrechtmatig had gehandeld, door bij een schikking met de Belastingdienst geen proceskostenvergoeding te bedingen en zelfs afstand te doen van dat recht. In de VSO was bepaald dat de adviseur recht had op 50 procent van een eventuele kostenvergoeding. Daarom vroeg Crowe Foederer om een voorschot van € 25.000,- op schadevergoeding.
De rechtbank oordeelt echter dat uit de VSO geen verplichting voortvloeit voor de opdrachtgever om een proceskostenvergoeding te bedingen. Ook van een impliciete verplichting is niet gebleken. De stelling dat er een grote kans bestond op vergoeding van de werkelijke proceskosten, onder meer omdat tijdens het overleg met de Belastingdienst sprake zou zijn geweest van een ‘uitruil’ van Vpb-vorderingen tegen proceskosten, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Bovendien was de adviseur aanwezig bij het overleg dat tot de schikking leidde en is niet gebleken dat hij de opdrachtgever concreet heeft gewaarschuwd dat vergoeding van werkelijke proceskosten moest worden bedongen.
De rechtbank concludeert dat geen sprake is van een tekortkoming of onrechtmatige daad. Alle vorderingen van de adviseur worden afgewezen. Crowe Foederer wordt veroordeeld in de proceskosten van € 5.495, te vermeerderen met wettelijke rente indien niet tijdig wordt betaald. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.


Geef een reactie