De zaak draaide om de vraag of het verzorgen van pensioenaangiften bij het pensioenfonds onderdeel was van de opdracht en in hoeverre de opdrachtnemer verantwoordelijk blijft bij uitbesteding aan een derde. Daarbij stonden een exploitant van een kinderdagverblijf en een administratiekantoor tegenover elkaar. Het kantoor verzorge de salarisadministratie en het samenstellen van de jaarrekeningen.
Boetes
Nadat het Pensioenfonds Zorg & Welzijn meerdere boetes van in totaal ruim 13.000 euro had opgelegd wegens het niet of onjuist aanleveren van loongegevens, stelde de ondernemer de boekhouder aansprakelijk voor de schade. Die verweerde zich met de stelling dat de pensioenaangiften niet tot de opdracht behoorden en de werkzaamheden feitelijk werden uitgevoerd door een derde. Volgens de boekhouder was sprake van een situatie waarin de ondernemer zelf een relatie had met de uitvoerder, waarbij het kantoor slechts als intermediair fungeerde.
Onderaannemer
De kantonrechter volgt dat betoog niet. Uit de feitelijke gang van zaken, waaronder de communicatie via WhatsApp en de wijze van factureren, leidt de rechtbank af dat de pensioenaangiften wél onderdeel waren van de overeenkomst van opdracht tussen partijen. Dat de werkzaamheden feitelijk door een derde werden uitgevoerd, maakt dat niet anders. Integendeel, de rechtbank kwalificeert deze constructie als onderaanneming. Daarmee blijft de oorspronkelijke opdrachtnemer verantwoordelijk voor de uitvoering.
Dat de ondernemer wist dat een derde betrokken was bij de uitvoering en mogelijk ook rechtstreeks contact met deze partij had, doet volgens de rechtbank niet af aan de contractuele verhouding. Doorslaggevend is dat de opdracht is verstrekt aan het administratiekantoor, dat op zijn beurt de derde heeft ingeschakeld:
[gedaagde] heeft onder punt 4 van haar conclusie van antwoord gesteld dat zij salaris-gerelateerde werkzaamheden, waaronder kennelijk de pensioenaangiften, heeft uitbesteed aan [medewerker 1] . Dit impliceert dat sprake is van onderaanneming, dus dat [eiser] een overeenkomst met [gedaagde] heeft gesloten en dat [gedaagde] aan [medewerker 1] de opdracht heeft gegeven een deel van de afgesproken werkzaamheden uit te voeren. Een en ander blijkt, anders dan [gedaagde] meent, ook uit de feitelijke gang zaken. Uit de overgelegde Whatsappcorrespondentie (productie 8 bij dagvaarding) blijkt dat [gedaagde] na de door [eiser] doorgestuurde brieven van PFZW, contact opnam met [medewerker 1] . Dit sluit ook aan op de werkwijze tussen [gedaagde] en [medewerker 1] , zoals tijdens de zitting is toegelicht door [gedaagde] . [medewerker 1] factureerde zijn werkzaamheden aan [gedaagde] en [gedaagde] factureerde op haar beurt het geheel aan [eiser] . Dat [eiser] op de hoogte was van de uitbesteding aan [medewerker 1] en hiermee heeft ingestemd, kan op zichzelf niet tot de conclusie leiden dat dan sprake is van een overeenkomst van opdracht tussen [eiser] en [medewerker 1] . Ook de omstandigheid dat [medewerker 1] als gemachtigde voor de UPA-aanleveringen in het systeem van PFZW stond ingevoerd en dat [eiser] nadien direct contact met [medewerker 1] heeft onderhouden over de feitelijke pensioenaangifte, voor zover daarvan sprake is geweest als door [gedaagde] gesteld en door [eiser] betwist, maakt dat ook niet anders. Uit de toelichting van [Bedrijf 3] ter zitting blijkt dat enkel de daadwerkelijke uitvoerder van de pensioenaangiften in het systeem van PFZW vermeld kan worden. Dit zegt op zichzelf niets over de (al dan niet) contractuele relatie tussen de uitvoerder en degene voor wie de aangiften worden gedaan. Voorts blijkt uit de e-mail van 19 februari 2025 van [medewerker 1] aan [gedaagde] (productie 5 bij dagvaarding) dat [medewerker 1] zichzelf niet als een partij tussen [gedaagde] en [eiser] beschouwt en adviseert hij [gedaagde] in die mail over haar positie ten opzichte van [eiser] inzake de pensioenaangiften. Aangezien [gedaagde] haar stelling, dat tussen [eiser] en [medewerker 1] een overeenkomst tot stand is gekomen, niet nader heeft onderbouwd komt dit niet vast te staan. Op grond van het voorgaande is daarom de conclusie dat tussen [eiser] en [gedaagde] een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen, waarin de pensioenaangiften begrepen zijn, en dat [gedaagde] [medewerker 1] de opdracht heeft gegeven die pensioenaangiften feitelijk (op basis van onderaanneming) uit te voeren. Als gevolg daarvan is [gedaagde] jegens [eiser] aansprakelijk voor onjuistheden / fouten in de werkzaamheden die [medewerker 1] in onderaanneming van [gedaagde] heeft uitgevoerd.
Toerekenbare tekortkoming
Vast staat dat de pensioenaangiften te laat of onjuist zijn gedaan en dat dit heeft geleid tot boetes. De derde heeft dit ook erkend. Omdat deze derde als onderaannemer moet worden gezien, wordt diens tekortkoming toegerekend aan de boekhouder. Daarmee is sprake van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van opdracht.
Ook de overige verweren van de boekhouder houden geen stand. Zo oordeelt de kantonrechter dat de ondernemer tijdig heeft geklaagd over de problemen, onder meer door het doorsturen van correspondentie van het pensioenfonds. Daarnaast wordt het beroep op schending van de schadebeperkingsplicht verworpen. De rechtbank benadrukt dat het juist aan de opdrachtnemer was om de situatie te herstellen en verdere schade te voorkomen, temeer omdat die had toegezegd het probleem op te lossen.
De boekhouder wordt dan ook veroordeeld tot betaling van de volledige hoofdsom aan boetes, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten. Ook de proceskosten komen voor rekening van het kantoor. Dat komt neer op een totaal van ongeveer 16.500 euro.


Geef een reactie