De Belastingdienst deed onderzoek naar de btw-aangiften van de onderneming over de jaren 2013 tot en met 2016. In mei 2017 werd dit boekenonderzoek uitgebreid naar de vennootschapsbelasting. De bv had over 2015 een belastbaar bedrag van 374.423 euro aangegeven, maar na het onderzoek verhoogde de fiscus dit tot ruim 2,1 miljoen euro. De correcties betroffen onder meer advieskosten, commissies en opleidingskosten en een winstuitdeling.
Factuur zonder tegenprestatie
Een van de kostenposten betrof een factuur van 250.000 euro. De onderneming erkende dat deze nooit was betaald en dat er geen enkele tegenprestatie tegenover stond. De factuur zou per vergissing in de administratie zijn opgenomen. Over de onterechte aftrek van het bedrag bestond dan ook geen discussie.
Directeur met accountantsopleiding
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde eerder dat de onderneming wist of had moeten weten dat de aftrek onjuist was. Het ging immers om een aanzienlijk bedrag dat niet gemakkelijk over het hoofd wordt gezien. Bovendien was de factuur als incidentele memoriaalboeking verwerkt door de toenmalige directeur, die was opgeleid tot accountant. Volgens het hof had de onderneming zich ervan bewust moeten zijn dat hierdoor een aanzienlijk bedrag aan vennootschapsbelasting niet zou worden geheven.
Zware gevolgen
De gevolgen van die ene onjuiste kostenpost waren verstrekkend. Volgens het hof had de onderneming daardoor zowel in absolute als in relatieve zin aanzienlijk te weinig belasting aangegeven. Daarmee had zij niet de vereiste aangifte gedaan. Dat betekent dat de normale bewijslastverdeling vervalt: de belastingplichtige moet overtuigend aantonen dat de door de Belastingdienst opgelegde aanslag onjuist is. De fiscus moet zijn aanslag wel baseren op een redelijke schatting.
Reikwijdte
De onderneming verzette zich tegen de reikwijdte van die sanctie. Waarom zou een onjuiste aftrek van 250.000 euro ook gevolgen moeten hebben voor de bewijslast bij alle andere correcties? De Hoge Raad geeft daar in zijn arrest van vrijdag een duidelijk antwoord op. Wanneer inhoudelijke gebreken ertoe leiden dat niet de vereiste aangifte is gedaan, geldt de omkering en verzwaring van de bewijslast voor de gehele aanslag. De sanctie kan niet worden beperkt tot de afzonderlijke posten waarin fouten zijn vastgesteld.
Uitzondering bij aangiftevragen
De Hoge Raad maakt wel een onderscheid met situaties waarin een belastingplichtige vragen op het aangiftebiljet niet of onjuist beantwoordt. In die gevallen hoeft niet vast te staan dat de fout tot een aanzienlijk belastingnadeel leidt om omkering van de bewijslast te rechtvaardigen. Daar staat tegenover dat de sanctie dan beperkt kan blijven tot geschilpunten waarvoor het onjuiste antwoord relevant is. Ook moet de tekortkoming voldoende ernstig zijn en moet de belastingplichtige hebben geweten, of hebben moeten weten, dat het antwoord onjuist was.
Fout bij de Belastingdienst
Opmerkelijk is dat ook de Belastingdienst zelf een fout maakte. De fiscus had op 2 mei 2017 aangekondigd het lopende boekenonderzoek uit te breiden naar de vennootschapsbelasting. Toch werd de aanslag zes dagen later volledig automatisch vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte. Volgens het hof was aannemelijk dat belastingambtenaren hadden verzuimd het boekenonderzoek in het computersysteem te registreren, waardoor de automatische afhandeling niet werd geblokkeerd.
Toch navordering mogelijk
De onderneming betoogde dat zij erop mocht vertrouwen dat de oorspronkelijke aanslag juist was. Maar ook daarin krijgt zij geen gelijk. Omdat de te weinig geheven belasting ten minste 30 procent bedroeg van de wettelijk verschuldigde belasting, werd de fout geacht kenbaar te zijn. De onderneming kon dat vermoeden niet weerleggen, omdat zij had moeten weten dat de aftrek van 250.000 euro onjuist was. De Belastingdienst mocht daarom alsnog navorderen.
Wel 500 euro schadevergoeding
Het cassatieberoep is ongegrond verklaard. De navorderingsaanslag blijft daarmee in stand. Wel krijgt de onderneming 500 euro schadevergoeding, omdat de behandeling van het cassatieberoep langer heeft geduurd dan de redelijke termijn. Ook moet de Staat 234 euro aan proceskosten vergoeden.
Lees hier de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2026.


Geef een reactie