Zaak nr: 25/1558 Wtra AK
De accountant was via zijn vennootschap van 2018 tot begin 2024 zelfstandig bestuurder van het kantoor, dat drie vestigingen had en ongeveer veertig medewerkers. Hij bezit 45 procent van de aandelen, terwijl de resterende aandelen in handen zijn van zijn kantoorgenoten.
In 2024 besloten die medeaandeelhouders de bestuurder uit zijn functie te zetten. Daarbij werd hij verplicht zijn aandelen aan hen over te dragen, maar dat weigerde hij. De maatregel volgde volgens de klagers op een reeks ‘verwijtbare handelingen’ van de accountant, die binnen het kantoor ook verantwoordelijk was voor de kwaliteitsbewaking.
Volgens Bas Martens, advocaat van de klagende partij, heeft de accountant zich schuldig gemaakt aan gedragingen die ‘niet alleen volledig in strijd waren met zijn verantwoordelijkheid als kwaliteitsbepaler’, maar ook ‘het voortbestaan van de onderneming, de belangen van cliënten en die van kantoorgenoten en hun gezinnen ernstig in gevaar hebben gebracht’.
Een belangrijk onderdeel van de klacht betreft leningen die de accountant zou hebben afgesloten bij cliënten. Zo zou hij privé 250.000 euro hebben geleend van twee klanten, waarvoor hij een hypotheek op zijn woning verstrekte. Daarnaast zou hij 500.000 euro werkkapitaal hebben geleend van een vermogende vrouw die eveneens klant was van het kantoor. Deze lening zou niet zijn vastgelegd in het dossier van de betreffende cliënt.
Verder zou de accountant voor het kantoor nog eens 400.000 euro hebben geleend van een andere klant. Daarbij zou hij de indruk hebben gewekt dat hij deze schuld privé had overgenomen, terwijl dat volgens de klagers niet het geval was. Wel zou hij van dit bedrag 150.000 euro hebben overgemaakt naar zijn eigen management-bv.
Naast deze financiële transacties speelde ook een zakelijk conflict in de privésfeer. De accountant had met twee van zijn zwagers afspraken gemaakt over agiostortingen in een gezamenlijke vastgoedonderneming. Alle drie zouden zij 1,6 miljoen euro inbrengen. Volgens de klacht heeft de accountant zijn storting niet gedaan, waarna de verhouding tussen de aandeelhouders verslechterde. De zwagers lieten daarop beslag leggen op onder meer een bedrijfspand van de accountant, zijn auto en zijn aandelen in het accountantskantoor.
Daar bleef het niet bij. Volgens de klagers heeft de bestuurder ook twee cliënten die hij bediende overgehaald te investeren in een groep transportbedrijven waarin hij zelf een belang van 50 procent had. Hij zou tegen hen hebben gezegd dat het ging om ‘een fantastisch bedrijf’’ waar hij mede leiding aan zou geven. In werkelijkheid stond het bedrijf er volgens Martens ‘zorgelij’ voor. Inmiddels zijn de transportbedrijven failliet gegaan en hebben beide cliënten hun vertrouwen in de accountant opgezegd.
De voormalig bestuurder heeft zelf een andere lezing van de gebeurtenissen. Volgens zijn advocaat Danny Theunis handelde zijn cliënt juist om het accountantskantoor overeind te houden. Daarbij verwees hij naar de situatie in 2015, toen de medeoprichter en -naamgever van het kantoor overleed en de AA er als bestuurder alleen voor kwam te staan.
Er werd toen besloten de aandelen van de overleden medeoprichter te verkopen aan kantoorgenoten. Volgens de advocaat konden zij die aankoop echter niet financieren. De accountant zou daarop een regeling hebben voorgesteld.
Om die regeling mogelijk te maken leende hij geld van vermogende klanten. Banken wilden volgens de advocaat geen financiering verstrekken. De accountant gaf zijn geldschieters daarom privé zekerheden. Theunis: “Alleen zo kon het kantoor het hoofd bovenwater houden.”
Volgens de verdediging ligt de werkelijke reden voor de klacht elders. De kantoorgenoten zouden vooral uit zijn op de aandelen van de accountant.
Ook stelde de advocaat dat de verweten gedragingen losstaan van het accountantsberoep. “Hij heeft niets gedaan waarmee hij het accountantsberoep in diskrediet heeft gebracht.”
De tuchtrechters plaatsten daar tijdens de zitting vraagtekens bij. Zij vroegen onder meer welke maatregelen de accountant had genomen om zijn objectiviteit te waarborgen bij de leningen die cliënten hem privé verstrekte.
Over een lening van 150.000 euro verklaarde de accountant: “Er is een leningsovereenkomst opgemaakt waarin de risico’s zijn geïnventariseerd en vervolgens heeft de verstrekker van de lening op mijn advies een eigen adviseur ingeschakeld.”
Die uitleg viel bij een van de klagende kantoorgenoten niet goed. “Die adviseur is een persoonlijke vriend van hem – de AA, red – en heeft een relatie met de vrouw die de lening heeft verstrekt.”
Ook de voorzitter van de Accountantskamer toonde zich kritisch: “Een leningsovereenkomst zie ik niet direct als een waarborging van de objectiviteit.”
Daar kon de accountant zich uiteindelijk in vinden. “Achteraf had ik zwaardere maatregelen moeten nemen.”
Ook over de agiostorting stelde de voorzitter vragen. Volgens de klacht was de afspraak over de storting niet schriftelijk vastgelegd. Maar waar precies in wet- en regelgeving staat dat zo’n afspraak op papier moet staan, vroeg hij de klagers.
Zij verwezen naar een uitspraak in kort geding waarin de voorzieningenrechter oordeelde dat de accountant zijn verplichting om 1,6 miljoen euro te storten moest nakomen. “Door dit niet te doen heeft hij niet gehandeld als professioneel accountant.”
Over het aanzetten van cliënten tot investeringen in de transportbedrijven merkte de accountant op dat hij ‘misschien iets te enthousiast was geweest’.


Bestuurder van een onderneming met stichting en tevens accountant beweerde tegen de rechters dat de overleden ondernemer gezegd had dat hij mocht declareren op uurbasis. De bestuurder geeft zich ook nog een jaarlijkse vergoeding.
In het testament komt de accountant niet voor. Ook advocaatkosten gaan ten laste van de onderneming van de erfgename.
Uitspraken van de accountskamer legt hij naast zich neer.
Zolang de accountantskamer niet met harde maatregelen komt, zoals afpakken beroep én terugbetalen van de schade, zal de witteboordencriminaliteit blijven bestaan.
Een sorry moet niet voldoende zijn.