Een man sluit op 25 november 2021 een uitzendovereenkomst met een uitzendbedrijf. In de overeenkomst is opgenomen dat deze van rechtswege eindigt bij melding van ziekte of ongeval. Als de werknemer in de tussentijd ergens anders heeft gewerkt of als de overeenkomst vanwege onder meer een ziekmelding is beëindigd, moeten partijen voor een eventuele nieuwe terbeschikkingstelling een nieuwe overeenkomst sluiten.
Twee keer ziekmelding
De man verricht in 2022 arbeid voor het uitzendbedrijf en ontvangt loon over de eerste zes weken van het jaar. In week zeven, vanaf 14 februari, meldt hij zich ziek en ontvangt hij een Ziektewetuitkering. Vanaf 21 februari gaat hij opnieuw voor het uitzendbedrijf werken. Op 4 april 2022 meldt hij zich opnieuw ziek en ontvangt hij tot en met 31 december 2022 een Ziektewetuitkering.
De man geeft in zijn aangifte IB/PVV over 2022 een bedrag van 26.962 euro aan inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking aan en neemt daarbij een arbeidskorting van 4.008 euro in aanmerking. Bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2022 wijkt de inspecteur af van de aangifte en neemt een arbeidskorting van slechts 915 euro in aanmerking. Het bezwaar van de man tegen de aanslag verklaart de inspecteur ongegrond.
Bij de rechtbank Gelderland draait het vervolgens om de vraag of de arbeidskorting kan worden toegepast op de Ziektewetuitkeringen en, meer specifiek, of die uitkeringen inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking vormen.
Parlementaire geschiedenis
De rechtbank overweegt dat de wetgever met ingang van 1 januari 2020 een onderscheid heeft willen maken tussen personen die een Ziektewetuitkering ontvangen terwijl zij nog een dienstbetrekking hebben en personen die zo’n uitkering ontvangen zonder dat nog een dienstbetrekking bestaat.
Sinds die datum worden Ziektewetuitkeringen alleen nog als arbeidsinkomen aangemerkt als zij worden genoten tijdens een bestaande dienstbetrekking. Als geen sprake meer is van een dienstbetrekking, vormen de Ziektewetuitkeringen daarom geen inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking en bestaat daarover geen recht op arbeidskorting op grond van artikel 8.1, tweede lid, onderdeel c, Wet IB 2001.
De eerste ziekmelding van de man, per 14 februari 2022, leidt volgens de rechtbank tot beëindiging van de dienstbetrekking per die datum. De Ziektewetuitkering die hij in week zeven ontvangt, kan daarom niet worden gerekend tot inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking. Over die uitkering bestaat dus geen recht op arbeidskorting.
Nieuwe terbeschikkingstelling
Omdat de arbeidsovereenkomst wegens de ziekmelding van rechtswege is geëindigd, moeten het uitzendbedrijf en de man een nieuwe overeenkomst sluiten wanneer zij een nieuwe terbeschikkingstelling tot stand willen brengen. Vanaf 21 februari 2022, en dus na beëindiging van de eerdere arbeidsovereenkomst, verricht de man opnieuw arbeid voor en ontvangt hij loon van het uitzendbedrijf.
Daarmee hebben de man en het uitzendbedrijf naar het oordeel van de rechtbank feitelijk uitvoering gegeven aan een nieuw tot stand gekomen arbeidsovereenkomst onder dezelfde voorwaarden als de overeenkomst van 25 november 2021. Die nieuwe arbeidsovereenkomst eindigt vervolgens eveneens van rechtswege wanneer de man zich op 4 april 2022 ziek meldt.
De Ziektewetuitkeringen die de man vanaf 4 april tot en met 31 december 2022 ontvangt, kunnen daarom evenmin worden gerekend tot inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking. Ook over deze bedragen bestaat geen recht op arbeidskorting.
Arrest Hoge Raad niet vergelijkbaar
In zijn beroep verwijst de man nog naar een arrest van de Hoge Raad van 15 november 2024. Dat beroep slaagt niet. Het arrest gaat over werkhervattingsuitkeringen voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en niet over uitkeringen op grond van de Ziektewet. Volgens de rechtbank gaat het daarom niet om een geval dat gelijk is aan dat van de man.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Rechtbank Gelderland, ECLI:NL:RBGEL:2026:6778


Geef een reactie