Zaak nr: 25/1787 Wtra AK
De klacht was ingediend door de uitbater van een koffie- en theehuis in de molen. Hij verweet de RA dat hij valse facturen stuurde en dreigde met incassomaatregelen, terwijl de voorzieningenrechter eerder vorderingen van de stichting had afgewezen. Ook zou de accountant onprofessioneel hebben gecommuniceerd en hem in de jaarrekening hebben neergezet als wanbetaler.
Vrijwillige bestuursfunctie
De RA vervult zijn rol als penningmeester onbezoldigd naast zijn werk in loondienst. De Accountantskamer benadrukt dat ook werkzaamheden als vrijwillig bestuurder onder het bereik van het accountantstuchtrecht kunnen vallen, wanneer daarbij de vakbekwaamheid van de accountant wordt aangewend:
“De klacht ziet op het handelen van betrokkene als penningmeester van de stichting. Dat betrokkene deze werkzaamheden als vrijwilliger heeft uitgevoerd, betekent niet dat geen sprake is van een professionele dienst als bedoeld in artikel 1 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA). Betrokkene heeft bij de uitvoering van deze functie immers zijn vakbekwaamheid als accountant aangewend of kunnen aanwenden. Om deze reden wordt hij geacht zijn beroep als accountant te hebben uitgeoefend en moest hij zich houden aan alle in artikel 2 VGBA genoemde fundamentele beginselen. Betrokkene heeft dat ook niet bestreden. De Accountantskamer zal het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft toetsen aan deze beginselen.”
Kort geding geen eindoordeel
Centraal stond de vraag of de accountant met het blijven sturen van facturen een rechterlijk oordeel naast zich neerlegde. De stichting had in 2024 in kort geding onder meer betaling van achterstallige bedragen en boetes gevorderd. Die vorderingen werden afgewezen, omdat niet was voldaan aan de strenge maatstaf voor toewijzing van een geldvordering in kort geding.
Volgens de Accountantskamer betekent dat echter niet dat inhoudelijk is geoordeeld dat de huurder niets verschuldigd is. Een uitspraak in kort geding heeft een voorlopig karakter en bevat geen definitief oordeel over de rechtsverhouding tussen partijen. De stichting mocht daarom het standpunt blijven innemen dat bedragen op grond van de huurovereenkomst verschuldigd zijn.
De accountant had de betreffende belastingen, boetes en kosten namens de stichting gefactureerd op basis van bepalingen in de huurovereenkomst. Dat standpunt is volgens het tuchtcollege civielrechtelijk verdedigbaar. Er waren geen aanwijzingen dat hij bewust een onjuist of misleidend standpunt innam. Dit klachtonderdeel werd daarom ongegrond verklaard.
Communicatie niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
De uitbater stelde daarnaast dat de RA hem onprofessioneel benaderde, onder meer door e-mails zonder formele aanhef te sturen. De Accountantskamer oordeelt dat een accountant gepast en zakelijk moet communiceren, maar dat het ontbreken van een aanhef in dit geval onvoldoende is om te spreken van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.
Jaarrekening aangepast na bezwaar
Tot slot klaagde de huurder over de jaarrekening 2024 van de stichting. Daarin waren aanvankelijk posten opgenomen als “achterstallige huur” en “voorziening oninbaarheid geringe kredietwaardigheid huurder”. Na bezwaar van klager werden die omschrijvingen aangepast naar neutralere termen. Volgens de Accountantskamer mocht de accountant ervan uitgaan dat de aangepaste formulering akkoord was, nu klager daar na de wijziging niet opnieuw tegen had geprotesteerd. De aangepaste weergave van de vordering en de voorziening acht de tuchtrechter aanvaardbaar. Dat de huurder de enige huurder is en zich daardoor toch herkenbaar acht, maakt dat niet anders:
“Dit klachtonderdeel is ongegrond. Hiervoor is van belang dat betrokkene de omschrijving van de huurvordering en de voorziening gelijk heeft aangepast nadat klager daarover had geklaagd. De volgende dag (op 19 juni 2025) heeft klager in een e-mail aan betrokkene laten weten dat hij heeft gezien dat een en ander is aangepast in de jaarrekening en op de website. Klager heeft toen geen bezwaar gemaakt tegen de aangepaste omschrijving en heeft, zoals hij op de zitting heeft erkend, ook op een later moment niet rechtstreeks bij betrokkene daarover geklaagd. Betrokkene mocht er daarom van uitgaan dat klager geen bewaar had tegen de gewijzigde omschrijving van deze posten. Dat klager tijdens een overleg met de voorzitter van de stichting wel zou hebben gezegd dat hij niet tevreden was met de wijziging, omdat deze nog steeds naar hem herleidbaar zou zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Klager heeft deze stelling pas op de zitting naar voren gebracht en niet onderbouwd, en overigens niet gesteld dat die gestelde mededeling aan de voorzitter ook weer is doorgegeven aan betrokkene. De aangepaste weergave van de huurvordering en de voorziening is naar het oordeel van de Accountantskamer aanvaardbaar. Betrokkene hoefde dan ook niet uit eigen beweging aanleiding te zien voor een verdere aanpassing. Hierbij is in aanmerking genomen dat betrokkene op de zitting heeft toegelicht dat hij de huurvordering op klager afzonderlijk heeft opgenomen in de jaarrekening, omdat hij de gebruikers van de jaarrekening, waaronder donateurs en sponsoren, inzicht wilde geven in wat er binnen de stichting is gebeurd. Verder heeft betrokkene verklaard dat er bij de stichting gerede twijfel bestaat over de kredietwaardigheid van klager vanwege betalingsproblemen uit het verleden en de hoogte van de omzet in 2021 en 2022 en dat om die reden een voorziening is opgenomen in de jaarrekening.”
De klacht wordt in alle drie de onderdelen ongegrond verklaard. Tegen de uitspraak staat binnen zes weken hoger beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Foto ter illustratie.


Als direct betrokkene hecht ik eraan enkele feiten te delen die in de tuchtrechtelijke beoordeling in eerste aanleg en de huidige berichtgeving ontbreken.
Hoewel de Accountantskamer de klacht in eerste instantie ongegrond verklaarde, laten de civiele vonnissen (ECLI:NL:RBGEL:2023:3984 en 2024:5755) een heel ander beeld zien. Al in de eerste rechtszaak stelde de rechter vast dat aan de procedure een persoonlijk geschil ten grondslag lag in plaats van een juridisch geschil. Dit raakt direct aan het fundamentele beginsel van objectiviteit (Art. 11 VGBA).
In de tweede rechtszaak heeft de Stichting, vertegenwoordigd door de penningmeester (RA), op alle punten verloren. De rechter stelde vast dat er geen enkele betalingsachterstand was, ook niet over de coronajaren (2021-2022) waarin de huurder keurig aan zijn verplichtingen voldeed. De door de accountant met terugwerkende kracht geëiste huurverhoging werd door de rechter met 50% verminderd. De suggestie dat de huurder “niet kredietwaardig” zou zijn, bleek dus feitelijk onjuist en ongefundeerd.