Zaaknr: 25/1701 Wtra AK
De accountant bracht twee klanten van zijn toenmalige accountantskantoor met elkaar in contact rond een investering in een start-up, maar bleef daarna ook betrokken bij de verdere samenwerking. Volgens de Accountantskamer had hij moeten onderkennen dat de belangen van beide klanten konden botsen.
Medische en veterinaire artikelen
De zaak draait om een handelsonderneming in medische en veterinaire artikelen. Die onderneming was sinds 2012 klant van het accountantskantoor waaraan de accountant destijds verbonden was. In de jaren 2014 tot en met 2018 stelde de accountant de jaarrekeningen van de onderneming samen. Ook verzorgde hij de aangifte inkomstenbelasting van de directeur-grootaandeelhouder.
Een andere klant van hetzelfde kantoor hield zich bezig met logistieke activiteiten en werkte met verschillende vennootschappen aan een start-up rond een zogenoemd e-shippingportal. Die onderneming zocht investeerders. Tijdens een gesprek in april 2018 vertelde de accountant aan de dga van de handelsonderneming over deze klant en over het project.
Enthousiast over project
De klaagster legde een gespreksnotitie over van dat gesprek. Daarin stond onder meer dat de accountant had gezegd dat 5 procent rendement op effecten niet opschoot, dat de andere klant bezig was met een e-shippingportal en dat dit ‘wel iets heel groots’ kon worden. Ook zou hij volgens die notitie enthousiast zijn geweest over het project. De accountant betwistte de juistheid van die gespreksnotitie niet. De Accountantskamer gaat daarom uit van die weergave.
Na het gesprek kwamen de twee klanten met elkaar in contact. Vervolgens besloot de handelsonderneming te investeren in het project. Eerst ging het om een bedrag van ongeveer 30.000 euro. Later volgden nog bedragen van in totaal 45.000 euro. Medio juli 2018 stelde de accountant een intentieovereenkomst voor een converteerbare geldlening op. Ook maakte hij een liquiditeitsbegroting voor de start-up en stuurde die onder meer aan de investerende partij.
Begin 2019 werd een aantal ondernemingen rond de klant achter het e-shippingportal failliet verklaard. Volgens klaagster is de investering op niets uitgelopen en heeft zij door de handelwijze van de accountant schade geleden.
Niet alle verwijten slagen
De klaagster verweet de accountant dat hij zonder opdracht had aangedrongen op deelname aan het project. Daarbij zou hij bekend zijn geweest met de medische situatie van de dga en diens conservatieve beleggingsprofiel. Ook stelde klaagster dat de accountant gebruik had gemaakt van zijn professionele positie en zijn zakelijke e-mailadres, zijn eigen belang niet had gemeld, niet had getoetst of de investering paste bij het risicoprofiel van de dga en zonder Wft-vergunning had gehandeld.
De accountant stelde daartegenover dat hij hooguit twee klanten met elkaar in contact had gebracht, omdat hij dacht dat zij mogelijk iets voor elkaar konden betekenen. Hij betwistte dat hij had geadviseerd om geld te investeren of daarvoor had gelobbyd. Ook stelde hij geen eigen belang te hebben gehad in het project.
De Accountantskamer gaat niet mee in alle verwijten van klaagster. Volgens de tuchtrechter is niet gebleken dat de accountant specifiek heeft geadviseerd om geld te investeren in de start-up. Ook staat volgens de Accountantskamer niet vast dat hij was geïnformeerd over de eerste investering van ongeveer 30.000 euro. Daarom zijn de verwijten dat hij had moeten toetsen of de investering paste bij het beleggings- en risicoprofiel, en dat hij zonder Wft-vergunning zou hebben gehandeld, ongegrond.
Ook het verwijt dat de accountant een eigen belang zou hebben verzwegen, slaagt niet. Volgens de Accountantskamer is dat verwijt onvoldoende onderbouwd. Klaagster had daarvoor tijdens de zitting niet meer dan een vermoeden aangevoerd.
Meer dan een onschuldig praatje
De Accountantskamer volgt hem daarin niet volledig. Volgens de Accountantskamer stelt hij zijn rol te beperkt voor wanneer hij zegt dat hij alleen twee klanten met elkaar in contact bracht. Uit de stukken blijkt dat hij daarna betrokken bleef. Hij schreef eind mei 2018 aan de dga dat er moest worden ‘doorgepakt’, voerde een bespreking met hem, stelde een intentieovereenkomst op en maakte een liquiditeitsbegroting.
Daarmee bevond de accountant zich in een situatie waarin de belangen van beide klanten konden conflicteren. Hij had te maken met een klant die financiering zocht en een andere klant die bereid was geld in het project te steken. Op grond van de gedragsregels had hij moeten nagaan of daardoor een bedreiging ontstond voor zijn objectiviteit.
Dat heeft hij volgens de Accountantskamer niet gedaan. Ter zitting verklaarde de accountant dat hij geen bedreiging zag in het bijeenbrengen en bijstaan van beide partijen. Dat rekent de tuchtrechter hem aan.
Berisping
De klacht is daarom gedeeltelijk gegrond verklaard. De Accountantskamer oordeelt dat de accountant heeft gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van objectiviteit. Dat geen kwade intenties zijn vastgesteld, maakt dat niet anders. Van een accountant mag volgens de tuchtrechter worden verwacht dat hij steeds alert is op omstandigheden die zijn objectiviteit kunnen bedreigen.
De accountant krijgt een berisping. Daarbij weegt mee dat hij ook tijdens de zitting onvoldoende overtuigend heeft laten zien dat hij inzag dat zijn objectiviteit in het geding kon zijn.


Geef een reactie