Dat meldt staatssecretaris Annet Bertram van Verkeer en Waterstaat mede namens collega Eelco Eerenberg (Financiën) aan de Tweede Kamer. Kamerlid Van Leijen (D66) had gevraagd om een inventarisatie van bestaande fiscale regelingen voor woon-werkverkeer en hun effect op vervoerskeuzes.
Voorwaarden helpen, praktijk werkt belemmerend
Gebruik van fiets en ov in het woon-werkverkeer wordt het meest gestimuleerd als de werkgever voorwaarden stelt aan een vergoeding, zo blijkt. Een verhoging van de vergoeding lijkt relatief weinig effect te hebben. “Daarnaast lijkt stimulering van de fiets via een onkostenvergoeding ten koste te gaan van het ov (vooral bus, metro en tram) terwijl bij stimulering van het ov de verschuiving ten koste gaat van fietsen en lopen; behalve op lange afstanden waar er sprake is van overstap van auto naar trein.”
Werknemers geven aan dat financiële voordelen voor de fiets en het ov over het algemeen minder belangrijk zijn dan praktische belemmeringen zoals comfort, afstand, het weer, voorzieningen en onveilige routes of daadwerkelijke verbindingen en overstap- en wachttijden.
Grote verschillen
Veel werkgevers bieden al meerdere fiscale regelingen om het gebruik van de fiets en het ov te steunen, maar het daadwerkelijk gebruik blijft achter. Volgens de staatssecretarissen is er mogelijk een mismatch tussen de kwaliteit van en kennis over het aanbod en het gebruik. “Daarbij zijn er grote verschillen tussen werkgevers, in lijn met het uitgangspunt van de werkkostenregeling (wkr) dat werkgevers en werknemers keuzevrijheid hebben om deze fiscale regelingen toe te passen als element binnen het arbeidsvoorwaardelijke domein.”
Werkgever betaalt leaseauto
De leaseauto wordt als arbeidsvoorwaarde evenveel gebruikt als een fiets of ov-optie, terwijl minder (kleine) werkgevers een leaseauto aanbieden. Werkgevers zijn veel meer bereid om de auto voor de werknemer te betalen, ondanks dat een leasefiets vele malen goedkoper is. “Zo geeft de sector bijvoorbeeld aan dat een leasefiets veelal via bruto-netto-uitruil wordt aangeboden, en dus voornamelijk door de werknemer wordt betaald, terwijl bij een leaseauto de kosten vaak volledig door de werkgever worden vergoed.”
Bij de keuzes van werkgevers en werknemers spelen ook de sector, grootte en de loonsom van het bedrijf een belangrijke rol. “Met betrekking tot een eventuele (extra) stimulans voor de fiets en het ov zou dus niet alleen moeten worden gekeken naar de fiscale mogelijkheden, maar ook naar de andere factoren zoals best practices, kennis en administratieve lasten.”
Meeste fiscaal voordeel voor fiets
De fiscale wet- en regelgeving staat het gebruik van fiets en ov voor woon-werkverkeer niet direct in de weg, concludeert de staatssecretaris. Werkgevers kunnen werknemers stimuleren om een (elektrische) fiets aan te schaffen door onder meer een belastingvoordeel op de aanschaf via het gebruik van de vrije ruimte van de wkr, een renteloze lening voor de aanschaf, een leasefiets met 7% bijtelling aan te bieden en via een mogelijke forfaitaire vergoeding van 25 cent per kilometer. “De fiets is daarmee puur fiscaal de meest gestimuleerde vervoersmodaliteit omdat het verder stimuleert dan de daadwerkelijk gemaakte of forfaitaire kosten zoals bij andere modaliteiten. Fiscaal hebben zowel de fiets als het ov een voordeel, maar in de praktijk worden de fiscale mogelijkheden voor woon-werkverkeer binnen het arbeidsvoorwaardelijke domein vooral gebruiikt voor de auto.”
Zoeken naar verbetering
Beide ministeries gaan in beeld brengen hoe het keuzeaanbod van bestaande fiscale regelingen verbeterd kan worden en hoe de mismatch tussen het totale fiscale keuzeaanbod het uiteindelijke gebruik van fiets, ov en bijvoorbeeld e-brom-, snor-, motorfiets en deelmobiliteit door werknemers verbeterd kan worden.


Geef een reactie