Twee andere verwijten waren al eerder aan de tuchtrechter voorgelegd en kunnen niet opnieuw worden beoordeeld.
Daarmee komt ook de derde tuchtprocedure tegen de registeraccountant zonder maatregel ten einde. De accountant werkt sinds 2013 voor een holding met drie werkmaatschappijen, waarvan er één een trustkantoor is. De werkmaatschappijen verlenen onder meer administratieve diensten aan alternatieve beleggingsfondsen, verzorgen rapportages en jaarrekeningen en treden op als bestuurder van entiteiten die fondsactiva beheren. De accountant verrichtte interne controlewerkzaamheden ten aanzien van de juistheid en volledigheid van jaarrekeningen van een aantal vennootschappen binnen de groep en was er controller. Sinds 2018 maakt zij deel uit van het managementteam.
De zaak draait om Veri Soda en een investeringsvehikel dat beleggers in staat stelde in de onderneming te investeren. De jaarrekening 2016 van dat investeringsvehikel werd in juli 2017 opgesteld door de directie van een van de werkmaatschappijen. In november 2017 werd de jaarrekening vastgesteld en gedeponeerd. In juni 2019 hield de vennootschap op te bestaan omdat er geen bekende baten meer waren.
Een van de oprichters van Veri Soda houdt de accountant al jaren mede verantwoordelijk voor wat er rond de jaarrekening en de ondergang van het frisdrankbedrijf is gebeurd. Eerdere klachten uit 2019 en 2020 werden door de Accountantskamer ongegrond verklaard. Het CBb liet beide uitspraken in 2022 in stand.
Derde klacht
Ook daarna liet de oprichter de zaak niet rusten. In 2022 diende hij een derde klacht in. Ditmaal stelde hij onder meer dat de accountant als dagelijks beleidsbepaler en kwaliteitsbepaler verantwoordelijk was voor het kwaliteitssysteem binnen de groep en haar kon worden verweten dat daar volgens hem valse jaarrekeningen waren samengesteld.
Daarnaast verweet hij haar opnieuw dat zij geen maatregelen had getroffen tegen vermeend niet-integer handelen van anderen en dat zij de NV NOCLAR niet had toegepast nadat zij bekend zou zijn geraakt met directiefraude en valse jaarrekeningen.
De Accountantskamer verklaarde het eerste onderdeel in april 2023 ongegrond. De organisatie waarvoor de accountant werkte kon volgens de tuchtrechter niet als accountantskantoor in de zin van de destijds geldende NVAK-aav worden aangemerkt. Daardoor was de accountant geen beleids- en kwaliteitsbepaler in de zin van die regelgeving en rustte op haar niet de verplichting om voor een deugdelijk kwaliteitssysteem te zorgen. De twee andere klachtonderdelen waren niet-ontvankelijk omdat daarover al eerder was geklaagd.
Professionele diensten
De oprichter ging tegen die uitspraak in hoger beroep. Bij het CBb betoogde hij dat de accountant wel degelijk professionele diensten verrichtte en dat haar werkgever daarom als accountantskantoor moest worden beschouwd. Volgens hem had zij dat bovendien zelf bevestigd in eerdere tuchtprocedures. Ook als geen sprake was van een accountantskantoor, zou de accountant zich volgens hem niet kunnen onttrekken aan de fundamentele beginselen uit de VGBA.
Het College stelt voorop dat in een tuchtprocedure het handelen of nalaten van de individuele accountant centraal staat. Het is in beginsel aan de klager om de feiten en omstandigheden te stellen en, bij gemotiveerde betwisting, aannemelijk te maken die tot het oordeel kunnen leiden dat de accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De tuchtrechter bepaalt vervolgens zelfstandig aan welke normen dat handelen of nalaten moet worden getoetst.
Daarbij maakt het volgens het CBb verschil of een accountant een professionele dienst verricht. Als werkzaamheden daar niet onder vallen, geldt bij de uitoefening daarvan alleen het fundamentele beginsel van professionaliteit. Is wel sprake van een professionele dienst, dan gelden alle fundamentele beginselen uit artikel 2 van de VGBA.
Te algemene omschrijving
De Veri Soda-oprichter wees onder meer op de rol van de accountant als controller, haar toezicht op financiële administraties en eerdere verklaringen over een werkomgeving waarin jaarrekeningen werden gemaakt, reviews plaatsvonden en controles op samengestelde jaarrekeningen werden uitgevoerd.
Dat is voor het CBb onvoldoende. De accountant betwistte dat zij werkzaamheden voor cliëntvennootschappen verrichtte en stelde dat zij bovendien niet werkzaam was bij de entiteit die de trustdiensten verleende. Tegenover die betwisting heeft de klager volgens het College met zijn algemene omschrijving van werkzaamheden en diensten onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de accountant professionele diensten verrichtte die bestonden uit assurance- of daaraan verwante opdrachten en eventueel overige opdrachten. Daarbij weegt mee dat het CBb in eerdere procedures al had geoordeeld dat niet is gebleken van vakinhoudelijke betrokkenheid van de accountant bij het Veri Soda-dossier.
Ook haar eerdere gebruik van termen als ‘samenstellen’, ‘review’ en ‘controle’ helpt de klager niet. De accountant verklaarde dat zij die woorden destijds in de spreektaal gebruikte en daarmee niet bedoelde dat jaarrekeningen werden gecontroleerd zoals een externe accountant dat doet. Het College acht die verklaring niet ongeloofwaardig. Daaruit kan volgens het CBb dus niet worden afgeleid dat binnen de groep samenstellingsopdrachten of andere aan assurance verwante opdrachten werden uitgevoerd.
Daarmee staat voor het College onvoldoende vast dat de accountant professionele diensten voor cliënten verrichtte zoals bedoeld in de NVAK-aav. Haar werkgever kan daarom niet als accountantskantoor in de zin van die voorschriften worden beschouwd en de accountant was geen dagelijks beleids- en kwaliteitsbepaler. Zij hoefde dus ook niet zorg te dragen voor een deugdelijk kwaliteitssysteem.
Ook professionaliteitsbeginsel biedt geen opening
Daarmee is de zaak volgens het College nog niet helemaal afgedaan. De klager voerde namelijk aan dat de accountant hoe dan ook gebonden bleef aan het fundamentele beginsel van professionaliteit. Hij stelde dat zij bekend was met ernstige signalen van mogelijke verslaggevings- en faillissementsfraude, maar desondanks geen maatregelen nam.
Ook dat verwijt strandt. Het professionaliteitsbeginsel ziet weliswaar op al het handelen en nalaten van de accountant, maar het CBb had eerder al vastgesteld dat zij geen betrokkenheid had bij de betreffende Veri Soda-vennootschap. Daardoor kon zij volgens het College ten aanzien van die vennootschap niet handelen of nalaten in de zin van artikel 4 VGBA. Evenmin heeft de klager feiten gesteld die aannemelijk maken dat de groep waarvoor zij werkte zelf wet- en regelgeving niet naleefde in de zin van artikel 5 VGBA.
Geen vierde ronde over dezelfde gedragingen
De andere twee klachtonderdelen kunnen evenmin opnieuw worden behandeld. Daarbij draait het om het ne bis in idem-beginsel. Volgens vaste rechtspraak van het CBb kan vanwege de eisen van een behoorlijke tuchtprocesorde niet opnieuw worden geklaagd over gedragingen die al eerder inhoudelijk door de tuchtrechter zijn beoordeeld.
De klager had bij de Accountantskamer zelf verklaard dat zijn klacht een volledige herhaling van zetten bevatte met dezelfde feitelijke informatie, maar met een andere grondslag. Zijn betoog dat het niet toepassen van de NV NOCLAR een voortdurend nalaten vormde en daarom toch opnieuw kon worden beoordeeld, overtuigt het College evenmin. In 2022 was al geoordeeld dat ook na 2016 niet van vakinhoudelijke betrokkenheid van de accountant bij het dossier was gebleken en dat de gestelde niet-nalevingen over 2017 tot en met 2019 daarom niet binnen het toepassingsbereik van de NV NOCLAR vielen.
Het CBb verklaart het hoger beroep daarom volledig ongegrond. Daarmee blijft de uitspraak van de Accountantskamer uit april 2023 in stand.
College van Beroep voor het bedrijfsleven, ECLI:NL:CBB:2026:420


Geef een reactie