De accountant krijgt een boete van 65.000 euro en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.
Aanleiding voor de zaak waren de btw-aangiften van een bv waarvan de accountant aandeelhouder is. Volgens zijn verklaring werkte de onderneming sinds 2019 aan een online medische applicatie voor diagnostiek. Twee artsen deden op kosten van de bv onderzoek en brachten via een onderneming uit Delden kosten in rekening. De accountant verklaarde dat onder meer CT-scans waren aangeschaft en dat een Indonesische investeerder bereid was tot maximaal 500.000 euro garant te staan.
De accountant verzorgde zelf de administratie, jaarrekeningen en aangiften omzetbelasting van de bv. In de btw-aangiften over het eerste kwartaal van 2021 tot en met het tweede kwartaal van 2022 werd voorbelasting afgetrokken op basis van facturen van de onderneming uit Delden. Uit het latere strafrechtelijke onderzoek kwam een fiscaal nadeel van 202.666 euro naar voren. De accountant erkende dat de voorbelasting ten onrechte was afgetrokken.
Administratie zou zijn gestolen
Volgens de accountant was dat echter niet met opzet gebeurd. Hij stelde dat hij aanvankelijk uitging van echte zakelijke transacties, maar in de loop van 2022 argwaan kreeg over de twee artsen. Toen hij op 23 juli 2022 naar het bedrijfsadres ging, bleken volgens hem het meubilair, de computers en de volledige administratie verdwenen. Twee dagen later maakte hij daarvan naar eigen zeggen melding bij de politie.
Die verklaring kan volgens de rechtbank niet met objectieve en controleerbare gegevens worden onderbouwd. Zo kon de accountant geen inkoopfacturen, betalingsbewijzen of bankafschriften overleggen. Ook ontbraken e-mails, WhatsApp-berichten of andere stukken over de contacten met de artsen en de Indonesische investeerder. Evenmin waren er stukken waaruit de voortgang van de ontwikkeling van de medische applicatie bleek.
De accountant verklaarde bovendien dat hij de aangeschafte CT-scans zelf in Delden had gezien, maar kon niet meer aangeven op welk adres dat was geweest. Ook zijn volgens de rechtbank geen daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten gebleken die aansluiten bij het door hem geschetste scenario. Bij een boekenonderzoek concludeerde de Belastingdienst dat geen economische activiteiten waren verricht of beoogd en dat sprake was van een ‘fake-onderneming’.
Suppleties kwamen na vragen fiscus
De accountant wees er ook op dat hij de onjuiste aangiften zelf had gecorrigeerd. Op 18 augustus 2022 diende hij suppleties in voor 2021 en de eerste helft van 2022. Volgens hem gebeurde dat nadat hij had ontdekt dat hij was opgelicht.
Daarmee is volgens de rechtbank echter geen sprake van een vrijwillige verbetering in de zin van artikel 69, derde lid, AWR. De Belastingdienst had de bv namelijk al op 3 augustus 2022 schriftelijk gevraagd de opgevoerde voorbelasting nader te onderbouwen. Daarbij werden onder meer de inkoopfacturen, betalingsbewijzen en grootboekrekeningen opgevraagd.
Toen de accountant twee weken later de suppleties indiende, wist hij volgens de rechtbank, of moest hij redelijkerwijs vermoeden, dat de onjuistheid van de aangiften bij de Belastingdienst op een andere manier bekend was of bekend zou worden. Van een vrijwillige verbetering is daarom geen sprake.
Vol opzet
Ook inhoudelijk gaat de rechtbank niet mee in het alternatieve scenario van de accountant. Daarbij weegt mee dat hij zelfs nadat bij hem naar eigen zeggen het vermoeden van oplichting was ontstaan, nog de btw-aangifte over het tweede kwartaal van 2022 indiende en daarin opnieuw voorbelasting aftrok.
De rechtbank concludeert uit alle omstandigheden in samenhang dat de accountant bij het indienen van de aangiften wist dat de opgevoerde voorbelasting geen reële grondslag had en dat de aangiften dus onjuist waren. Daarmee acht zij vol opzet bewezen. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat de voorbelasting betrekking had op facturen van een onderneming die uit het boekenonderzoek als fakeonderneming naar voren kwam.
Ook aan het zogenoemde strekkingsvereiste van artikel 69 AWR is voldaan. Daarvoor is volgens de rechtbank niet vereist dat daadwerkelijk te weinig belasting is geheven. Voldoende is dat de gedraging naar haar aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven. Het opvoeren van valse facturen voldoet daaraan.
De rechtbank acht bewezen dat de bv tussen april 2021 en juli 2022 meermalen opzettelijk onjuiste btw-aangiften deed en dat de accountant feitelijk leiding gaf aan die verboden gedragingen.
Accountant moet beter weten
Bij de strafoplegging weegt de rechtbank nadrukkelijk mee dat de verdachte accountant is. Hij kwam niet eerder met politie en justitie in aanraking, maar toont volgens de rechtbank geen inzicht in zijn gedragingen, die zij “listig en gewetenloos” noemt. Zijn opportunistische houding, waarbij hij volgens de rechtbank kennelijk alleen financieel gewin voor ogen had, weegt extra zwaar omdat hem als accountant “bij uitstek” het belang van de juistheid en betrouwbaarheid van fiscale en administratieve bescheiden bekend moet zijn.
Vanwege de aard en ernst van de feiten en het financiële karakter daarvan acht de rechtbank een geldboete passend. De accountant krijgt een boete van 65.000 euro en daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van twee jaar. Een eerder opgelegde strafbeschikking uit juni 2024 wordt vernietigd.


Gaat de NBA hierop nog acteren?