Op 13 mei 2019 dient een ondernemer een aangifte BPM in voor een Bentley Continental waarbij de auto voor het eerst op 9 januari 2012 op de weg is toegelaten. De ondernemer voldoet het uit de aangifte volgende bedrag van € 4.922,- aan BPM. In de aangifte is aangevinkt dat de aangever de auto inschrijft in het Nederlandse kentekenregister “als ondernemer”. De aangifte is ondertekend door de ondernemer.
Volgens een taxatierapport blijkt dat op 13 mei 2019 een expertise (taxatie) is uitgevoerd van de auto. De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat heeft de taxateur vastgesteld aan de hand van een drietal referentievoertuigen en vastgesteld op € 79.008,-. De taxateur heeft wegens schade een bedrag van € 64.811,- vastgesteld en dit geheel in mindering gebracht.
Op 23 mei 2019 voert de dienst Domeinen Roerende Zaken van het ministerie van Financiën een onderzoek waardebepaling uit ten aanzien van de auto. In dit rapport is de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld op € 59.392,-, op basis van de koerslijst Eurotax XchangeNet. DRZ calculeert de schade aan de auto op € 5.588,- en brengt hiervan een bedrag van € 4.107,- (73%) in mindering.
Rechtspersoonlijkheid
In november 2020 legt de inspecteur de ondernemer een naheffingsaanslag op naar een bedrag van € 8.303,-. Bij de uitspraak op bezwaar wordt de naheffingsaanslag verminderd tot € 6.200,- omdat toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel voor de ondernemer voordeliger is dan uitgaan van de bevindingen van DRZ. De ondernemer gaat in geroep bij de rechtbank Den Haag tegens de uitspraak op bezwaar.
De rechtbank volgt de ondernemer niet in zijn stelling dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd omdat de naheffingsaanslag ten onrechte op zijn naam is gesteld en niet op de (handels) naam van zijn eenmanszaak. De rechtbank oordeelt dat de eenmanszaak geen rechtspersoonlijkheid heeft zodat de inspecteur de naheffingsaanslag heeft mogen opleggen aan de natuurlijk persoon die handelt onder deze naam: de ondernemer. Daar komt bij dat de ondernemer de aangifte met zijn eigen naam heeft ondertekend.
Partijdeskundige
De ondernemer stelt dat het rapport van DRZ buiten het geschil moet worden gelaten, omdat DRZ geen onafhankelijke deskundige is. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door de inspecteur is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank is van oordeel dat het de inspecteur vrij staat een deskundige van zijn keuze in te schakelen.
Naar het oordeel van de rechtbank is het aan de ondernemer om de schade aannemelijk te maken én dat de volledige schadecalculatie in aftrek moet worden gebracht op de handelsinkoopwaarde. Met het rapport van DRZ heeft de inspecteur de conclusies over de schade uit het door de ondernemer overgelegde taxatierapport voldoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank kan de ondernemer niet volgen in de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, omdat hij niet heeft onderbouwd waarop de toegepaste correctie (de handelsmarge) van 20% is gebaseerd.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat, indien de rechtbank de schade zoals de ondernemer pleit niet aannemelijk acht en zij de ondernemer niet volgt in de door hem genoemde handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, moet worden uitgegaan van de forfaitaire afschrijvingstabel en dat in dat geval, zoals is vastgesteld in de uitspraak op bezwaar, voor de auto een bedrag van € 6.200,- nageheven dient te worden. Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank op dat de inspecteur bij de berekening op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel is uitgegaan van de datum tenaamstelling (16 juni 2020), zodat er geen reden bestaat om het verzoek van de ondernemer om extra leeftijdskorting toe te kennen.
Naam in kentekenregister is leidend
De ondernemer laat het er niet bij zitten en gaat in hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag. Het hof overweegt dat volgens artikel 5, lid 1, Wet BPM met betrekking tot een geregistreerde personenauto, een geregistreerd motorrijwiel of een geregistreerde bestelauto de belasting wordt geheven van degene op wiens naam het motorrijtuig wordt dan wel is gesteld in het kentekenregister.
Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de eenmanszaak gezien de gegevens die zijn geregistreerd bij de Kamer van Koophandel geen rechtspersoonlijkheid heeft, zodat, de naheffingsaanslag terecht aan de ondernemer is opgelegd. De ondernemer kan dus als belastingplichtige voor de BPM worden aangemerkt (artikel 7, lid 1, Wet Bpm). De inspecteur heeft de naheffingsaanslag terecht aan de ondernemer opgelegd, aldus het oordeel van het hof.
Het standpunt van de ondernemer dat de koerslijst EurotaxGlass’s, rekening houdend met 15% vermindering wegens de correctiefactoren voor “marktsituatie handelaar” en “marktsituatie dealer”, dient te worden toegepast en dat de naheffingsaanslag om die reden nader dient te worden verminderd, wordt door het hof verworpen. De ondernemer trekt in zijn berekening ook de schade af, wat niet is toegestaan.
Individuele waardebepalende omstandigheden
Het hof overweegt dat het de ondernemer kan kiezen om een koerslijst te gebruiken of een individuele taxatie van de auto. De ondernemer dient, als hij vasthoudt aan zijn taxatie, uitsluitend individuele waardebepalende omstandigheden van de auto in aanmerking te nemen. Dat voor de auto in dit geval de markt- en dealersituatie van invloed zijn op de handelsinkoopwaarde, is niet aannemelijk gemaakt. Indien de 15% aftrek wordt toegepast op de koerslijst EurotaxGlass’s zonder de schade in aanmerking te nemen, ontstaat een bedrag aan BPM dat hoger is dan het bedrag waarop de naheffingsaanslag na vermindering in bezwaar is vastgesteld. Het hof is van oordeel dat de tabel voor de ondernemer de gunstigste methode is.
Het oordeel van het hof luidt dan ook dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, en, na vermindering in de bezwaarfase, tot een juist bedrag is vastgesteld. Er bestaat geen aanleiding voor een (nadere) vermindering van de naheffingsaanslag. De ondernemer krijgt wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2024:1991




Geef een reactie