Apneu-debacle
EY is sinds 1 januari 2016 de controlerend accountant van Koninklijke Philips N.V. In april 2021 maakte Philips bekend dat er kwaliteitsproblemen waren vastgesteld in een component van bepaalde apneu-apparaten. Naar aanleiding hiervan trof Philips tussen 2021 en 2023 meerdere voorzieningen, die uiteindelijk opliepen tot honderden miljoenen euro’s.
Philips Investors Recovery Limited (PIRL), een op Guernsey gevestigd speciaal claimvehikel opgericht door Woodsford Group, sloot in september 2023 een overeenkomst met de Deense pensioenverzekeraar Velliv, waarin Velliv haar vorderingsrechten met betrekking tot investeringen in Philips volledig overdraagt aan PIRL. PIRL kreeg daarbij de bevoegdheid om namens Velliv rechtsmaatregelen te nemen en op te treden in collectieve acties.
Verzoek aan EY
In oktober 2023 richtte PIRL zich tot EY met het verzoek om documenten te verstrekken die betrekking hebben op de controle van de jaarrekeningen van Philips tussen 2016 en 2022. EY vroeg daarop om bewijs van PIRL’s vertegenwoordigingsbevoegdheid en een identificatie van de betrokken investeerders. PIRL gaf in december 2023 aan namens 124 institutionele investeerders op te treden, aan wie de vorderingen waren gecedeerd en van wie zij volmachten had ontvangen. EY bleef aandringen op schriftelijk en juridisch onderbouwd bewijs van die bevoegdheid, inclusief gewaarmerkte documenten.
PIRL stelde vervolgens in januari 2024 een geheimhoudingsovereenkomst als voorwaarde voor verdere informatie-uitwisseling, wat door EY werd afgewezen als ongepast. Uiteindelijk deelde PIRL op 25 maart 2024 de namen van de 124 investeerders. Toch bleef PIRL de door EY gevraagde onderliggende stukken achterhouden. EY herhaalde begin 2025 haar verzoeken, maar tot op heden heeft PIRL die informatie niet verstrekt.
Stukken van EY gevorderd
PIRL spande daarna een zaak aan tegen EY. Het claimvehikel verzocht de rechtbank Amsterdam op grond van artikel 843a (oud) Rv om EY te bevelen afschrift of inzage te geven in een omvangrijke hoeveelheid stukken uit haar controledossiers over negen boekjaren, onder meer met betrekking tot haar controlewerkzaamheden voor Philips.
De rechtbank oordeelt dat zij op grond van artikel 4 lid 1 Brussel I-bis internationaal bevoegd is, nu EY in Nederland is gevestigd en de beoogde bodemprocedure een civielrechtelijke zaak betreft. Nederlands recht is van toepassing, waaronder artikel 843a (oud) Rv, dat via overgangsrecht nog van toepassing is op dit geschil.
Voor toewijzing van een exhibitieverzoek op grond van artikel 843a (oud) Rv geldt dat sprake moet zijn van een rechtmatig belang bij bepaalde, concrete bescheiden betreffende een rechtsbetrekking waarbij verzoeker partij is. De rechtbank benadrukt dat deze bepaling niet bedoeld is voor fishing expeditions en dat aan het verzoek strengere eisen worden gesteld dan bij bewijsbeslag, juist vanwege de vaak ingrijpende gevolgen van een dergelijk verzoek.
Schade voor beleggers
De rechtbank wijst het verzoek af, omdat PIRL onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het een rechtsbetrekking heeft met EY en evenmin dat EY haar zorgplicht jegens investeerders heeft geschonden: “Het exhibitieverzoek van PIRL bestaat uit een groot aantal documenten. Het betreft vrijwel de gehele inhoud van de controledossiers van EYA over negen boekjaren. De verzochte bescheiden zijn vertrouwelijk. Onder deze omstandigheden vormt het exhibitieverzoek een grote inbreuk op de belangen van EYA en brengt de hiervoor beschreven maatstaf mee dat van PIRL mag worden verwacht dat zij in ieder geval de door haar gepretendeerde rechtsbetrekking voldoende aannemelijk maakt. Aldus zal PIRL voldoende aannemelijk moeten maken dat EYA haar zorgplicht jegens de investeerders heeft geschonden en dat zij de vorderingen die investeerders in dat verband zouden hebben verkregen op EYA rechtsgeldig gecedeerd heeft gekregen. Daar is PIRL niet in geslaagd.”
Overeenkomst zwartgelakt
PIRL stelde dat het rechten van 124 institutionele investeerders uitoefent op basis van een participation agreement, en dat EY aansprakelijk is wegens tekortschietende controle van Philips’ jaarrekeningen vanaf 2016. Volgens PIRL heeft Philips haar publicatieverplichtingen in de periode 2015–2024 geschonden, met schade voor beleggers als gevolg. EY zou ten onrechte goedkeurende verklaringen hebben afgegeven.
Het op Jersey gevestigde bedrijf overlegde echter slechts één participation agreement, met Velliv als vermeende investeerder. Omdat grote delen van de overeenkomst zwartgelakt zijn en essentiële informatie ontbreekt, zoals over de aard van de overgedragen vordering en de bevoegdheden van de ondertekenaars, acht de rechtbank niet aannemelijk dat sprake is van een geldige cessie. Een beroep op een volmacht of lastgeving strandt eveneens, mede omdat dit moeilijk te verenigen is met de gestelde cessie en omdat de relevante bepalingen in de overeenkomst eveneens zwartgelakt zijn.
Onvoldoende onderbouwing
Zelfs als zou worden uitgegaan van een geldige cessie door Velliv, heeft PIRL volgens de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat EY daadwerkelijk haar zorgplicht als controlerend accountant heeft geschonden. “PIRL stelt in dit verband dat EYA steken zou hebben laten vallen bij haar controlewerkzaamheden en ten onrechte goedkeurende verklaringen bij de jaarrekeningen heeft afgegeven. Ter onderbouwing van haar stelling heeft PIRL echter onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die een aanwijzing vormen dat EYA inderdaad haar taken als controlerend accountant op onjuiste wijze zou hebben verricht. PIRL verwijt Philips dat de jaarrekeningen 2016 tot en met 2020 niet het vereiste inzicht zouden geven. Voor zover dit al juist zou zijn, laat PIRL na te onderbouwen dat en hoe EYA hiervan een verwijt kan worden gemaakt. PIRL voert verder aan dat Philips eerdere voorzieningen in verband met de kwaliteitsproblemen heeft verhoogd en dat de door Philips getroffen individuele voorzieningen de materialiteitsgrens overschrijden. Ook hiervan laat PIRL na afdoende te onderbouwen hoe EYA daarvan een verwijt kan worden gemaakt.”
Fishing expedition
De rechtbank concludeert dat PIRL met haar verzoek in feite beoogt na te gaan óf er aanknopingspunten bestaan voor een vordering tegen EY. Daarmee wordt het verzoek gekwalificeerd als een ontoelaatbare fishing expedition: “PIRL heeft aangevoerd dat zij met dit exhibitieverzoek wil nagaan hoe EYA zich van haar controletaak heeft gekweten. Nu PIRL de vordering op EYA niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt, kan het exhibitieverzoek niet anders worden opgevat dan als een poging om belastende informatie te verzamelen in de hoop dat deze bijdraagt aan de onderbouwing van een vordering op EYA. Dit maakt het verzoek tot een ontoelaatbare fishing expedition. De slotsom is dan ook dat het exhibitieverzoek zal worden afgewezen. In dat kader behoeft hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht geen bespreking.”
De vorderingen van PIRL worden dan ook afgewezen.


Geef een reactie