De Afdeling advisering noemt de Miljoenennota ‘een goed onderbouwd pleidooi voor investeringen in toekomstige welvaart’. Ook benoemt het kabinet volgens de Raad terecht welke factoren de productiviteit kunnen verhogen en dat ombuigingen nodig zijn om de overheidsfinanciën op termijn beheersbaar te houden.
Maar bij de vertaling naar beleid is de Raad kritischer. Een substantieel deel van aangekondigde initiatieven en hervormingen is volgens het advies uitgesteld of afgesteld. De budgettaire dekking daarvan is volgens de Afdeling ‘eerder boekhoudkundig dan vervangend economie-versterkend’.
Overheidsfinanciën op termijn minder gunstig
Op korte termijn noemt de Raad de uitgangspositie van de Nederlandse overheidsfinanciën relatief gunstig. Voor de Europese begrotingstoets gebruikt de Afdeling de MEV-raming van het CPB. Daarin komt het overheidstekort uit op 2,7 procent van het bbp in 2026 en 2,2 procent in 2027. De schuld bedraagt respectievelijk 46,1 en 46,7 procent van het bbp.
Deze cijfers wijken af van de ramingen in de Miljoenennota zelf. De Raad verklaart dat verschil doordat voor de begrotingstoets de actuele CPB-cijfers leidend zijn, terwijl in delen van de Miljoenennota andere ramingsmomenten zijn verwerkt.
Op langere termijn verslechteren de overheidsfinanciën volgens zowel de Raad als het kabinet. De Raad wijst onder meer op oplopende uitgaven aan zorg, sociale zekerheid, rente en defensie. Volgens de Afdeling vertaalt de aandacht voor de schuld in de Miljoenennota zich nog niet in substantiële concrete stappen die de houdbaarheid op middellange termijn verbeteren.
Het kabinet stelt dat de begroting zowel incidenteel als structureel is gedekt en dat volgens het kabinet geen additionele rekeningen naar toekomstige generaties worden doorgeschoven. Wel erkent het dat de overheidsfinanciën op termijn verslechteren. In toekomstige Miljoenennota’s wil het kabinet bekijken hoe de verdeling tussen generaties nadrukkelijker kan worden weergegeven.
Europees uitgavenpad overschreden
Bij de Europese begrotingsregels ziet de Raad een concreet knelpunt. De toegestane groei van de netto primaire uitgaven bedraagt 4,7 procent in 2026 en 3,5 procent in 2027. Het CPB raamt een groei van respectievelijk 4,9 en 4,7 procent.
Ook cumulatief ligt de geraamde groei in 2027 boven het uitgavenpad: 9,8 procent tegenover een toegestane 8,4 procent. Daarmee worden volgens de Raad in 2027 zowel de jaarlijkse als de cumulatieve drempelwaarden overschreden. Tekort en schuld blijven in 2026 en 2027 wel binnen de Europese referentiewaarden van respectievelijk 3 en 60 procent van het bbp.
Het kabinet onderschrijft de beoordeling van de Raad over de naleving van de Europese begrotingsregels. Volgens de kabinetsreactie heeft de overschrijding deels een statistisch karakter en hangt deze ook samen met politieke keuzes uit de augustusbesluitvorming.
Meer aandacht voor productiviteit
De Raad vraagt verder om een breder productiviteitsbeleid. De gebruikelijke statistische definitie van investeringen is volgens de Afdeling te beperkt om alle overheidsuitgaven die de productiviteit kunnen bevorderen in beeld te brengen. Zij adviseert om samen met onder meer CPB en CBS systematisch te meten welke overheidsuitgaven aan productiviteitsgroei bijdragen en daar jaarlijks in de Miljoenennota over te rapporteren.
Ook de sectormix en bedrijvendynamiek moeten volgens de Raad nadrukkelijker in dat beleid worden betrokken. De Afdeling vindt dat niet alleen moet worden gekeken naar sectoren die moeten worden gestimuleerd, maar ook naar activiteiten die mogelijk moeten worden afgeremd.
Het kabinet erkent dat de statistische definitie van investeringen beperkingen kent, maar houdt daar voor de begroting aan vast. Volgens het nader rapport is een bredere afbakening niet eenduidig. Het kabinet onderschrijft wel het belang van sectormix en bedrijvendynamiek voor de arbeidsproductiviteit.
Bronnen


Geef een reactie