De moeder exploiteerde een administratiekantoor, maar werd in 2023 ernstig ziek. Daarop bespraken moeder en zoon de mogelijkheid dat hij de onderneming zou overnemen. Op advies van een fiscaal jurist kwam de zoon bij zijn moeder op de loonlijst te staan. Hij ging twee dagen per week aan de slag bij een klant van het kantoor. Toen deze opdracht eindigde, kreeg hij van zijn moeder de opdracht nieuwe klanten te werven.
Relatie verslechterde
De verhouding tussen moeder en zoon verslechterde echter. Wat daarvan precies de oorzaak was, wordt uit het vonnis niet duidelijk. Wel blijkt dat er financiële problemen speelden. Zo verloor de moeder naar eigen zeggen door toedoen van haar zoon een belangrijke klant, waardoor het administratiekantoor aanzienlijke omzet misliep. Ook kreeg de zoon zijn salaris niet altijd uitbetaald, omdat er onvoldoende geld beschikbaar was. Eind 2024 kwam een einde aan de samenwerking. De zoon begon vervolgens zijn eigen administratiekantoor en nam twintig klanten van zijn moeder mee, zonder dat zij daarvoor een vergoeding hadden afgesproken. Daarna ontstond ruzie over de financiële afwikkeling. Het conflict liep zo hoog op dat de moeder en zoon tegenover elkaar kwamen te staan bij de rechter.
Toch een arbeidsovereenkomst
De zoon stelde dat hij nog 12.319 euro bruto aan salaris tegoed had over 2024. Zijn moeder betwistte dat sprake was geweest van een arbeidsovereenkomst. Volgens de kantonrechter was die er wel degelijk. De zoon verrichtte werkzaamheden tegen betaling en kreeg instructies van zijn moeder. Daarmee was voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor een arbeidsovereenkomst. Dat de moeder naar eigen zeggen nooit de bedoeling had gehad een arbeidsovereenkomst te sluiten, maakte volgens de rechter geen verschil. De zoon had daarom recht op het achterstallige salaris, vermeerderd met een wettelijke verhoging van 10 procent.
1.300 euro per klant
Daar stond tegenover dat de zoon klanten van zijn moeder had overgenomen zonder daarvoor te betalen. De moeder eiste aanvankelijk ruim 74.000 euro schadevergoeding. De rechter vond haar berekening echter niet bruikbaar, omdat de zoon slechts een deel van het klantenbestand had overgenomen en niet het hele kantoor. Tijdens de zitting bleek dat de zoon eerder klanten van een ander administratiekantoor had gekocht. Beide partijen konden zich uiteindelijk vinden in een vergoeding van 1.300 euro per klant. Voor de twintig overgenomen klanten komt dat neer op 26.000 euro.
Schilderijen als onderpand
Het conflict ging ook over vier schilderijen van de moeder die in een opslagbox stonden. De zoon hield deze onder zich en beriep zich op een retentierecht: hij wilde de schilderijen pas teruggeven als zijn moeder zijn vordering had voldaan. De moeder liet daarop beslag leggen op de kunstwerken. Volgens de kantonrechter was de zoon zijn boekje te buiten gegaan. Hij had de schilderijen niet mogen vasthouden omdat ze geen verband hadden met zijn werkzaamheden voor het administratiekantoor.
Lees hier de uitspraak.


Geef een reactie