Alera, dat zich bezighield met thuiszorg, had aanvankelijk tegenover de curator aangegeven dat de coronacrisis het commerciële zorgbedrijf fataal was geworden. Cliënten lieten zich uit angst voor besmetting alleen nog verzorgen door thuiswonende familieleden, die als mantelzorgers functioneerden, zo liet de directie aan de curator weten. Ook verklaarde de directie dat verzekeraars bepaalde geleverde zorg niet wilden uitbetalen vanwege ’tekortkomingen bij wijkverpleegkundigen’.
Al in een vroeg stadium kwam aan het licht dat er van alles niet klopte bij Alera. Zo bleek de accountant de echtgenote van Alera-bestuurder Bos, waardoor de noodzakelijke scheiding tussen bestuur en controle feitelijk ontbrak. Uit het twintigste faillissementsverslag, dat onlangs verscheen, blijkt dat die verwevenheid structureel was. De curator stelt bijvoorbeeld vast dat “de administratie van Alera Zorg werd gevoerd door mevrouw I. Verdonkschot (naar oordeel van de curator feitelijk bestuurder)”, terwijl de verwerking daarvan plaatsvond via (medewerkers van) Pauw Accountants. Dat kantoor stond onder leiding van mevrouw Pauw, de partner van Bos. Zo liepen administratie, fiscale aangiften en jaarstukken via één en dezelfde kring van betrokkenen, terwijl naar buiten toe de indruk werd gewekt dat sprake was van onafhankelijke controle.
Niet te rijmen
Die constructie kreeg extra gewicht doordat richting toezichthouders een beoordelingsverklaring werd gebruikt. Volgens het verslag werd een beoordelingsverklaring gebruikt richting toezichthouders, maar werd de inhoud van de jaarrekening in belangrijke mate intern bepaald. Tegelijkertijd werd in die jaarrekening nog uitgegaan van continuïteit, terwijl de onderneming feitelijk eind september 2020 al was stilgelegd en alle arbeidsovereenkomsten waren beëindigd. De curator noemt dat niet te rijmen en wijst erop dat het faillissement pas tweeëneenhalve maand later werd aangevraagd, zonder dat daarvoor een duidelijke verklaring is gegeven .
1 miljoen
De financiële omvang van de zaak is aanzienlijk. Uit het verslag blijkt dat drie zorgverzekeraars samen vorderingen indienden van bijna €1 mln. Volgens de curator ontstond uit hun documentatie het beeld dat structureel zorg werd gedeclareerd die niet werd ‘gerechtvaardigd door indicatiestellingen en de door verzekeraars uitgeoefende nacontrole’. De curator concludeert dan ook dat de inkomstenbron van de onderneming (betalingen door verzekeraars) doelbewust is benadeeld. ‘De oorzaak van het faillissement is naar oordeel van de curator gelegen in het mismanagement van het bestuur, het ondeugdelijk voeren van de administratie en het (bewust) benadelen van de zorgverzekeraars die de inkomstenbron van de onderneming van failliet was.’
Die conclusie vormde de basis voor een procedure tegen het bestuur. De rechtbank Overijssel onderschreef in april 2024 de analyse van de curator. De bestuurders werden veroordeeld tot betaling van het tekort in het faillissement. Vervolgens gingen zij in hoger beroep, waarna uiteindelijk een schikking tot stand kwam. Volgens het twintigste verslag maakt die schikking het mogelijk om een gedeeltelijke uitkering aan concurrente schuldeisers te doen.
Niet makkelijk
Gemakkelijk was het niet. Het verslag laat zien dat de problemen zich op meerdere fronten opstapelden. De debiteurenadministratie was volgens de curator ondeugdelijk, wat de incasso bemoeilijkte. In procedures tegen debiteuren werd niet altijd het volledige bedrag toegewezen, mede omdat de onderliggende documentatie ontbrak. In totaal stond aanvankelijk bijna €100.000 aan debiteuren open, waarvan uiteindelijk slechts een beperkt deel werd geïncasseerd.
Daarnaast constateerde de curator dat kort voor het faillissement activa waren verkocht aan derden. Die transacties zijn als paulianeus aangemerkt, omdat zij plaatsvonden nadat al was besloten de onderneming te staken. Ook werden in de laatste fase selectief schuldeisers betaald, wat in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling van crediteuren. Deze handelingen droegen bij aan het oordeel dat sprake was van onbehoorlijk bestuur. De formele verplichtingen werden eveneens structureel geschonden. Jaarrekeningen over meerdere jaren werden te laat gedeponeerd, waardoor het bestuur op grond van de wet hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor het faillissementstekort. Volgens de curator bedroeg dat tekort ruim €1,1 mln .
1000 werkuren
De afwikkeling van het faillissement vergde een langdurig en intensief traject. In totaal besteedde de curator bijna 1.000 uur aan het dossier, inclusief procedures in eerste aanleg en hoger beroep. Het boedelsaldo liep in de loop van de jaren op tot ruim €420.000, mede dankzij betalingen die volgden op het vonnis tegen het bestuur. Uiteindelijk wist de curator daarmee een substantieel deel van de schade te verhalen.


Geef een reactie