Een maatschap van registeraccountants, belastingadviseurs, waarderingsdeskundigen en loonadviseurs spande onlangs een kort geding aan tegen een voormalige relatiebeheerder die het concurrentiebeding zou overtreden. Ook zou hij elke verwijzing naar het accountantskantoor op zijn LinkedIn-account moeten verwijderen.
De relatiebeheerder was van 26 april 2016 tot 31 januari 2023 in dienst bij het accountantskantoor. In een brief liet de werkgever op 5 oktober 2022 weten dat er gedurende een langere periode klachten waren gekomen van klanten die door de relatiebeheerder werden bediend en dat er meerdere incidenten waren vastgesteld die schade aanrichten aan het kantoor. In de brief werd ook een opsomming gegeven van de klachten en incidenten. Op 9 november 2022 kwamen beide partijen een vaststellingsovereenkomst overeen. Daarin werd een ruimer concurrentie- en relatiebeding opgenomen dan in de arbeidsovereenkomst stond. Het accountantskantoor vroeg en kreeg daarna bij de voorzieningenrechter toestemming om beslagen te leggen op het huis en de auto van de voormalige relatiebeheerder, en bij de Rabobank en twee andere bedrijven.
Kort geding
Het accountantskantoor spande daarna een kort geding aan en legt aan de vorderingen ten grondslag dat de voormalige relatiebeheerder in strijd heeft gehandeld met het tussen partijen in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen concurrentiebeding door een vennootschap onder firma op te richten en daarvoor werkzaamheden te verrichten. Uit de oorspronkelijke omschrijving van de onderneming in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat de activiteiten van de vof bestaan uit bedrijfseconomische, financiële, administratieve en fiscale dienstverlening. Dat valt onder het toepassingsbereik van het concurrentiebeding, voert het accountantskantoor aan. De voormalige werkgever vordert daarom dat de relatiebeheerder zich aan het concurrentiebeding houdt. In de vaststellingsovereenkomst zijn de partijen ook een boetebeding overeengekomen voor het geval het concurrentiebeding wordt overtreden. Omdat de relatiebeheerder volgens het accountantskantoor het concurrentiebeding heeft overtreden wordt ook een voorschot op de verbeurde boete gevorderd. Ook wordt de rechtbank gevraagd de relatiebeheerder op te dragen om binnen 48 uur iedere verwijzing naar het kantoor op zijn LinkedIn-account te verwijderen, op straffe van een dwangsom. Daarbij wordt aangevoerd dat het accountantskantoor niet met de voormalige werknemer geassocieerd wenst te worden, ‘vanwege het laakbare handelen van [de voormalige werknemer, red.] ten tijde van de arbeidsovereenkomst.’ Het kort geding is een incident in de hoofdzaak tussen de twee partijen. In de hoofdzaak vordert het accountantskantoor schade van de relatiebeheerder. De uitkomst daarvan is (nog) niet duidelijk.
Oordeel over concurrentiebeding
De kantonrechter wijst echter alle vorderingen af. Het accountantskantoor heeft (vooralsnog) onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de voormalige relatiebeheerder het concurrentiebeding heeft overtreden. Het enkele feit dat hij de vof heeft opgericht maakt niet dat hij het concurrentiebeding heeft overtreden. Op grond van het overeengekomen concurrentiebeding moet het namelijk gaan over het (doen) verrichten van diensten. Het oprichten van een onderneming valt daar niet onder. Dat aanvankelijk in het Handelsregister geregistreerd stond dat de activiteiten van de vof onder meer bestaan uit financiële, administratieve en fiscale dienstverlening is op zichzelf evenmin voldoende om te kunnen oordelen dat het aannemelijk is dat de voormalige relatiebeheerder het concurrentiebeding heeft overtreden. Immers, de vermelding van bepaalde activiteiten in het Handelsregister wil nog niet zeggen dat de vof die activiteiten daadwerkelijk heeft verricht, laat staan dat die werkzaamheden door de voormalige relatiebeheerder zijn verricht. Bovendien is de omschrijving van de activiteiten in het Handelsregister inmiddels aangepast. Daarnaast is van belang dat de voormalige relatiebeheerder gemotiveerd heeft betwist in strijd te hebben gehandeld met het concurrentiebeding. Hij heeft daarbij aangevoerd dat hij als controller werkzaam is en dat hij die werkzaamheden, voor een langere periode, verricht voor één opdrachtgever (waarvan hij de naam niet wil noemen, omdat hij vreest dat het accountantskantoor daar dan derdenbeslag onder legt). Van de zijde van het accountantskantoor is ter zitting verklaard dat een controller in de regel (inderdaad) werkzaam is voor één opdrachtgever en dat zij heeft vernomen (“het is een klein wereldje”) dat de voormalige relatiebeheerder werkzaam is bij (een vennootschap van) Top Onions. Daarmee wordt de verklaring van de voormalige relatiebeheerder op hoofdlijnen bevestigd, oordeelt de kantonrechter. Ten slotte is van belang dat het accountantskantoor weliswaar stelt dat er dertien klanten bij haar zijn vertrokken vanwege de vermeende wanpraktijken van de voormalige relatiebeheerder, maar ter zitting heeft zij daarover verklaard dat deze klanten naar diverse andere kantoren zijn vertrokken en in ieder geval niet naar de vof én dat zij ook geen aanwijzingen heeft dat er klanten gaan overstappen naar de vof. Aldus is onvoldoende aannemelijk geworden dat de voormalige relatiebeheerder het concurrentiebeding heeft overtreden; eerder het tegendeel.
Dwangsommen
De vordering van een verbod om het concurrentiebeding te overtreden op straffe van dwangsommen zal worden afgewezen vanwege het ontbreken van belang bij de gevorderde voorziening. De redenen daarvoor zijn als volgt. Het accountantskantoor vordert een verbod om het concurrentiebeding te overtreden op straffe van dwangsommen. Het contractueel overeengekomen concurrentiebeding houdt al een dergelijk verbod in en bij overtreding daarvan is de voormalige relatiebeheerder een boete verschuldigd. In dat licht bezien moet het accountantskantoor aannemelijk maken dat zij een zodanig belang heeft bij oplegging van een ‘versterkt concurrentiebeding’ dat van haar niet kan worden gevergd dat zij de afloop van de bodemzaak afwacht. Het accountantskantoor heeft dat niet, althans onvoldoende onderbouwd. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de voormalige relatiebeheerder het concurrentiebeding overtreedt en zijn er evenmin concrete aanwijzingen dat hij het concurrentiebeding in de toekomst zal overtreden. Uit haar toelichting ter zitting blijkt bovendien dat het accountantskantoor niet zozeer haar bedrijfsdebiet wil beschermen tegen concurrentie van/door de voormalige relatiebeheerder, maar dat zij een beroepsverbod beoogt ter bescherming van anderen en de voormalige relatiebeheerder zelf. Hoewel een concurrentiebeding soms de facto neer kan komen op een beroepsverbod, als zijnde het gevolg van de reikwijdte van een dergelijk beding, kan dat niet het doel op zich zijn van post-contractuele bedingen in de relatie (voormalig) werkgever-werknemer. Ook om die reden heeft het accountantskantoor geen belang bij toewijzing van het gevorderde verbod.
Verwijzing op LinkedIn-profiel
Tot slot dient te worden beslist op de vordering die ziet op het verwijderen van iedere verwijzing naar het accountantskantoor op het LinkedIn-profiel van de voormalige relatiebeheerder. Voor een incidentele vordering is vereist dat er sprake is van samenhang met de vordering in de hoofdzaak. Deze samenhang ontbreekt voor wat betreft deze gevorderde voorziening. In de hoofzaak heeft geen enkele vordering betrekking op het verwijderen van verwijzingen naar het accountantskantoor op het LinkedIn-profiel van de voormalige relatiebeheerder. Hoewel het accountantskantoor ter zitting heeft aangekondigd haar eis in de hoofdzaak te zullen vermeerderen door een verklaring voor recht te vorderen dat de voormalige relatiebeheerder verplicht is en blijft om iedere verwijzing naar het accountantskantoor op zijn LinkedIn-profiel te verwijderen en verwijderd te houden, maakt deze vordering op dit moment nog geen onderdeel uit van de bodemprocedure, zodat niet wordt voldaan aan de vereiste samenhang met de hoofdvordering.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter hierover nog het volgende. Het accountantskantoor heeft pas voor het eerst ter zitting aan deze incidentele vordering ten grondslag gelegd dat sprake is van – kort gezegd – wanprestatie dan wel een onrechtmatige daad aan de zijde van de voormalige relatiebeheerder. Begrijpt de kantonrechter het goed, dan baseert het accountantskantoor zich daarbij op de verwijten die zij de voormalige relatiebeheerder maakt in het kader van de door haar in de hoofdzaak ingestelde vordering tot schadevergoeding. Nog los van de vraag of en in hoeverre die verwijten terecht zijn – dat zal in de hoofdzaak beoordeeld dienen te worden – kan daaraan niet de conclusie worden verbonden dat de voormalige relatiebeheerder wanpresteert c.q. onrechtmatig handelt door op zijn LinkedIn-profiel het accountantskantoor als voormalig werkgever te vermelden. Dat is hem niet verboden en het is evenmin in strijd met de waarheid. Voor zover het accountantskantoor heeft betoogd dat dit gebod moet worden opgelegd in het kader van de schadebeperkingsplicht, is de kantonrechter voorshands van oordeel dat niet valt in te zien dat het accountantskantoor (meer) schade lijdt of zal lijden door de vermelding van het accountantskantoor als voormalig werkgever op het LinkedIn-profiel van de voormalige relatiebeheerder. Het accountantskantoor heeft ter zitting zelf verklaard dat de agrosector, waarin de voormalige relatiebeheerder binnen het accountantskantoor werkzaam was, een kleine wereld is en dat de ondernemers elkaar spreken. Eventuele negatieve berichten over de voormalige relatiebeheerder en een eventueel afbreukrisico daardoor voor het accountantskantoor hangt dus niet af van een verwijzing naar het accountantskantoor op het LinkedIn-profiel van de voormalige relatiebeheerder. Bovendien geldt dat, voor zover potentiële klanten van het accountantskantoor negatieve verhalen over de werkzaamheden van de voormalige relatiebeheerder uit zijn tijd bij het accountantskantoor vernemen, zij op basis van het LinkedIn-profiel van de voormalige relatiebeheerder er juist over worden geïnformeerd dat hij niet meer bij het accountantskantoor werkt en dus ook geen werkzaamheden voor hen zal verrichten als ze met het accountantskantoor in zee gaan. Gelet op het voorgaande wordt ook deze gevorderde voorziening afgewezen.


Geef een reactie