De deelnemingsvrijstelling is daarom niet van toepassing.
De zaak draait om een samenwerking die in 2014 werd voorbereid. De onderneming wilde haar deelneming samenvoegen met die van een andere onderneming in een joint venture. Beide partijen werden daarbij geadviseerd door hetzelfde accountantsbureau. In februari 2016 werden de aandelen in beide deelnemingen overgedragen aan een nieuw opgerichte entiteit, waarin beide partijen vervolgens een belang van 50 procent hielden.
Exitregeling komt niet tot stand
Na het aangaan van de samenwerking stelde het accountantsbureau een aandeelhoudersovereenkomst op met daarin een exitbepaling. Die moest het mogelijk maken dat de oorspronkelijke verkopers bij onenigheid hun aandelen weer konden terugkopen voor hetzelfde bedrag, of voor een prijs die volgens dezelfde methode werd berekend als bij de oorspronkelijke inbreng. De aandeelhoudersovereenkomst werd echter nooit definitief.
Al in juni 2016 wilde de onderneming de samenwerking beëindigen. De andere aandeelhouder wilde daar niet aan meewerken als de onderneming haar oorspronkelijke deelneming voor dezelfde prijs zou terugkrijgen. Er volgden ongeveer tweeënhalf jaar onderhandelingen, waarbij ook het accountantsbureau actief betrokken was. Uiteindelijk werd in maart 2019 overeenstemming bereikt. De onderneming kreeg de aandelen terug, maar moest daarvoor een meerprijs van 671.660 euro betalen.
De onderneming stelde het accountantsbureau aansprakelijk voor de schade die zij door de gang van zaken zou hebben geleden. In een conceptdagvaarding verweet ze de accountant onder meer dat niet was toegezien op het tijdig tot stand komen van de aandeelhoudersovereenkomst met de beoogde exitregeling en dat niet was gewaarschuwd voor de aanzienlijke risico’s van een samenwerking zonder zo’n regeling.
De onderneming becijferde haar schade in die conceptdagvaarding op in totaal 774.160 euro, exclusief rente. Het grootste deel daarvan bestond uit de extra beëindigingsvergoeding van 671.660 euro. Daarnaast werden 100.000 euro aan advieskosten en 2.500 euro aan buitengerechtelijke kosten opgevoerd.
Schikking van 275.000 euro
Het geschil met de accountant eindigde in mei 2020 met een vaststellingsovereenkomst. Daarin werd vastgelegd dat de onderneming de accountant onder meer een gebrek aan zorgplicht, het dienen van tegenstrijdige belangen en het niet tijdig tot stand laten komen van de exitregeling verweet. Volgens de onderneming had zij daardoor bij de ontvlechting een hogere vergoeding moeten betalen. Het accountantsbureau wees aansprakelijkheid van de hand. Uiteindelijk deden beide partijen, na afweging van hun “goede en kwade kansen”, concessies om het geschil definitief af te wikkelen.
De beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van het accountantsbureau betaalde namens de accountant 275.000 euro ter definitieve afdoening van het geschil.
In haar aangifte vennootschapsbelasting over 2020 behandelde de onderneming dat bedrag als vrijgestelde winst. De Belastingdienst was het daar niet mee eens en rekende de vergoeding tot de belastbare winst. Daardoor werd de belastbare winst vastgesteld op 327.018 euro in plaats van de aangegeven 52.018 euro.
De onderneming stelde bij de rechtbank dat een rechtstreeks causaal verband bestond tussen de ontvangen vergoeding en haar deelneming. Ze had bij het accountantsbureau aangedrongen op een kosteloze exitregeling, zodat beide partijen hun oorspronkelijke aandelen bij beëindiging van de samenwerking tegen de inbrengwaarde konden terugkrijgen. Doordat die regeling niet tot stand was gekomen, moest de onderneming volgens haar een te hoge prijs betalen om haar aandelen terug te krijgen. De 275.000 euro was volgens haar daarom een compensatie voor die te hoge terugkoopprijs en de kosten van de ontvlechting.
Rechtstreekse oorzaak
De rechtbank stelt voorop dat voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 Wet Vpb sprake moet zijn van een voordeel “uit hoofde van” een deelneming. Dat vereist een verband tussen het voordeel en de deelneming. De rechtbank merkt daarbij op dat de zaak niet geheel vergelijkbaar is met de door de Hoge Raad ontwikkelde schadevergoedingsleer, omdat hier geen sprake is van een afgebroken aan- of verkoop van een aandelenbelang.
Doorslaggevend is vervolgens waar de vergoeding rechtstreeks uit voortvloeit. Volgens de rechtbank volgt het bedrag van 275.000 euro uit de afspraken die de onderneming met het accountantsbureau en andere betrokkenen heeft gemaakt. Het bedrag kwam niet tot stand na onderhandelingen met de andere aandeelhouder in de joint venture.
Ook blijkt uit de vaststellingsovereenkomst niet hoe het schikkingsbedrag precies is samengesteld. Anders dan de onderneming betoogde, staat daarin evenmin dat de 275.000 euro een vergoeding of tegemoetkoming vormt voor een te hoge terugkoopsom van de aandelen. Uit de overeenkomst volgt volgens de rechtbank slechts dat het geschil met de accountant betrekking had op het niet tijdig tot stand komen van de exitregeling en op de advisering daarover. De onderneming stelde daardoor schade te hebben geleden omdat ze haar aandelen niet voor dezelfde prijs kon terugkopen als waarvoor die in 2016 waren ingebracht.
Ook de schadeposten uit de eerdere conceptdagvaarding maken dat niet anders. Daarin werd gesproken over vermogensschade die de onderneming op het accountantsbureau probeerde te verhalen wegens een gestelde schending van de zorgplicht. Het verwijt was dat de accountant niet had gezorgd voor de tijdige totstandkoming van de aandeelhoudersovereenkomst en niet had gewaarschuwd voor de risico’s van het aangaan van de samenwerking zonder exitbepaling.
Daarmee ligt de rechtstreekse oorzaak van de vergoeding volgens de rechtbank in het geschil over de niet of gebrekkig verleende adviesdiensten. De contractuele relatie met het accountantsbureau is de rechtstreekse oorzaak van de vergoeding en niet het aandeelhouderschap. Dat het aandeelhouderschap wel een rol speelde bij de adviesdiensten, is onvoldoende om van een voordeel uit hoofde van een deelneming te kunnen spreken.
De vergoeding van 275.000 euro valt daarom niet onder de deelnemingsvrijstelling en is terecht tot de belastbare winst gerekend. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Ook voor de gevraagde integrale kostenvergoeding in de bezwaarfase ziet de rechtbank geen aanleiding.


Geef een reactie