Een vrouw huurt in 2020 privé voor € 700 per maand een appartement met één toilet en één badkamer. De ruimtes in het appartement zijn, met uitzondering van de open keuken, van elkaar af te scheiden door middel van binnendeuren. De vrouw heeft sinds 2010 een eenmanszaak die actief is in het lesgeven in alle vormen van zumba, yoga, barre en pilates bij diverse sportscholen en organisaties. Daarnaast geeft zij Indonesische kookworkshops.
Podcasts en instructievideos
In haar aangifte IB/PVV 2020 brengt zij € 5.400 aan huurkosten voor een werkruimte ten laste van de winst. De vrouw stelt dat haar winst uit onderneming kan worden verminderd met de huurkosten omdat ze vanuit de woonkamer van haar appartement podcasts en instructievideos heeft gemaakt ten tijde van de lockdownperiode door de coronapandemie. De woonkamer heeft een eigen deur en fungeert als studioruimte voor de door haar verzorgde digitale lessen.
Verkeersopvattingen veranderd door corona
De vrouw geeft aan dat zij in de keuken en slaapkamer van het appartement woont. Verder stelt zij dat de verkeersopvattingen gedurende de coronacrisis zijn veranderd, omdat toentertijd veelal werd thuisgewerkt. Als de aftrek van kosten is uitgesloten op basis van artikel 3.16, lid 1 en/of 13 Wet IB 2001, beroept zij zich op het vertrouwensbeginsel. Aan een door haar ingevuld formulier op de site van de Belastingdienst ontleent zij het vertrouwen dat haar huurkosten voor aftrek in aanmerking komen.
Geen zelfstandige werkruimte
De inspecteur corrigeert de kosten omdat de vrouw niet beschikt over een zelfstandige werkruimte. De verkeersopvattingen zijn door de coronacrisis niet dusdanig gewijzigd dat een woonkamer als zelfstandige werkruimte zou kunnen worden aangemerkt, zo bepaalt de fiscus. Ook kan zij geen vertrouwen ontlenen aan het door haar ingevulde formulier op de website van de Belastingdienst, dat zij op basis van een onjuist uitgangspunt (de aanwezigheid van een zelfstandige werkruimte) heeft ingevuld.
In hoger beroep overweegt het hof Arnhem-Leeuwarden dat er in de Wet IB 2001 voor is gekozen om een werkruimte ook fiscaal pas als zodanig te erkennen, en dus geen onderdeel meer te laten zijn van de eigen woning, als de werkruimte naar verkeersopvatting een zelfstandig gedeelte van een woning vormt en intensief wordt gebruikt voor de verwerving van inkomen.
Eigen ingang of eigen sanitair
Bedoeld wordt dat de werkruimte een zodanige zelfstandigheid bezit dat de ruimte duidelijk te onderscheiden is door uiterlijke kenmerken. Daarbij kan gedacht worden aan een eigen opgang of ingang, maar daarnaast kunnen ook de voorzieningen in de werkruimte van belang zijn ter bepaling van de zelfstandigheid, zoals bij voorbeeld eigen sanitair. Een werkruimte die een dusdanige zelfstandigheid bezit, zou ook als zodanig verhuurd kunnen worden aan derden.
Naar het oordeel van het hof vormt de woonkamer niet een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van het appartement. Vast is komen te staan dat de sanitaire voorzieningen van het appartement geen onderdeel uitmaken van de woonkamer. Zij vormen een niet te onderscheiden onderdeel van het appartement als geheel en niet van de woonkamer als zodanig. Zonder een eigen toilet bezit de woonkamer onvoldoende zelfstandigheid ten opzichte van de rest van het appartement om als zelfstandig gedeelte te kunnen worden aangemerkt.
Door corona geen sprake van wijziging verkeersopvatting
Het hof sluit zich aan bij de stelling van de inspecteur dat gedurende de coronacrisis vaker vanuit huis moest worden gewerkt, maar dat dat niet maakt dat de verkeersopvattingen dusdanig zijn gewijzigd dat de woonkamer van de vrouw naar verkeersopvatting alsnog als zelfstandig zou worden aangemerkt. Dat maakt immers niet dat de behoefte aan de aanwezigheid van eigen sanitaire voorzieningen, die van belang zijn om een ruimte zelfstandigheid te kunnen geven, van minder belang zijn geworden.
De door de vrouw opgevoerde huurkosten zijn daarom niet aftrekbaar. De woonkamer kwalificeert niet als zelfstandige werkruimte en daarom kan de vrouw geen vertrouwen ontlenen aan het door haar ingevulde formulier op de site van de Belastingdienst met de uitkomst dat de kosten aftrekbaar zijn. Zij heeft op het formulier namelijk ingevuld dat de ruimte zelfstandig zou zijn. Daarmee is het formulier ingevuld aan de hand van een onjuist uitgangspunt en is de uitkomst, voor zover dat een toezegging is, gedaan op basis van onjuiste gegevens.
Het hoger beroep is daarmee ongegrond.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2026:698


Geef een reactie