Een echtpaar is in gemeenschap van goederen gehuwd en zijn een vennootschap onder firma overeengekomen, De Boekhouder. De activiteiten van de vof bestaan uit het doen van boekhoudingen, het geven van advies, het geven van bijles en het doen van correctiewerk. In de jaren 2019 tot en met 2024 heeft het echtpaar contact gehad met de gemeente over de mogelijke koop van een gebouw op het terrein van de voormalige penitentiaire inrichting ten behoeve van een woningbouwtransformatieproject. In november 2020 maakt het echtpaar kenbaar aan het Rijksvastgoedbedrijf belangstelling te hebben voor de aankoop van het pand.
In april 2021 tekent het echtpaar een koopovereenkomst voor de aankoop van een weiland voor een bedrag van € 362.500,- en een bouwterrein voor een bedrag van € 50.000,- exclusief btw. Op 21 maart 2023 deelt de gemeente mee in principe medewerking te verlenen aan het woningbouwinitiatief. Vervolgens sluit het echtpaar een anterieure overeenkomst voor het bouwproject waarna de gemeente de aangevraagde omgevingsvergunningen verleend.
Bijzondere waardevermindering
De man beschikt over een effectenportefeuille die bij een bank wordt aangehouden. In het jaaroverzicht is vermeld dat de man daarop in 2020 een verlies van ruim € 1,3 miljoen heeft geleden. In hun aangiften over 2020 neemt het echtpaar een bijzondere waardevermindering op die uitsluitend betrekking heeft op de effectenportefeuille. De inspecteur deelt het echtpaar mee dat hij de bijzondere waardevermindering zal corrigeren omdat de effectenportefeuille ten onrechte is geactiveerd op de balans. De inspecteur neemt daarbij het standpunt in dat de (woningbouw) projecten in 2019 en 2020 geen bron van inkomen vormen.
Het echtpaar maakt daarop bezwaar tegen de aanslag die de inspecteur met inachtneming van zijn voorgenomen wijzigingen heeft opgelegd. In geschil voor de rechtbank Gelderland is of de inspecteur de bijzondere waardevermindering terecht heeft gecorrigeerd. Maar meer nog of de effectenportefeuille als ondernemingsvermogen, subsidiair resultaatsvermogen, kan worden aangemerkt, of het beheer van de effectenportefeuille op zichzelf als bron van inkomen kwalificeert en of de effectenportefeuille in 2020 ondernemings- of resultaatsvermogen van De Boekhouder vormt.
Projecten vormen geen bron van inkomen
Het echtpaar stelt zich op het standpunt dat de aanslagen te hoog zijn vastgesteld en dat de bijzondere waardevermindering in aanmerking genomen kan worden, omdat deze betrekking heeft op de projecten, die bronnen van inkomen zijn. De effectenportefeuille behoort hoe dan ook tot het ondernemingsvermogen. De inspecteur stelt dat de projecten geen bronnen van inkomen zijn, het beheer van de effectenportefeuille niet kwalificeert als meer dan normaal vermogensbeheer en de effectenportefeuille niet kan worden geëtiketteerd als ondernemingsvermogen.
De rechtbank komt tot het oordeel dat zowel het project op het terrein van de voormalige penitentiaire inrichting als het project op het aangekochte weiland en bouwterrein (project 2) in 2020 (nog) geen bron van inkomen vormden. Bij het eerste project is het echtpaar nooit eigenaar geweest van het gebouw op het terrein van de voormalige penitentiaire inrichting en het project is ook nooit daadwerkelijk uitgevoerd. Er zijn wel plannen gemaakt, maar verder geen concrete handelingen verricht. Van handelingen in het economische verkeer en van een objectieve voordeelsverwachting is daarom geen sprake.
Het tweede project is wel daadwerkelijk uitgevoerd, maar in 2020 was het echtpaar nog geen eigenaar van de grond waarop de woningen in latere jaren zijn gerealiseerd. Uit het dossier blijkt ook niet dat het echtpaar in 2020 zich concreet bezig hebben gehouden met dat project.
Effectenportefeuille is geen ondernemingsvermogen
Pas in 2021 is aan de gemeente een initiatiefvoorstel toegezonden en is de koopovereenkomst voor de aankoop van de grond gesloten. In het jaar 2020 is daarom geen sprake van een bron van inkomen, omdat in 2020 geen handelingen in het economisch verkeer hebben plaatsgevonden en ook geen sprake is van een objectieve voordeelsverwachting. Omdat de projecten geen bron van inkomen vormen, kan de beleggingsportefeuille niet als onderdeel daarvan worden aangemerkt als ondernemings- of resultaatsvermogen.
De rechtbank komt bovendien tot het oordeel dat het beheer van de effectenportefeuille op zichzelf ook niet als een bron van inkomen kan worden beschouwd, omdat het echtpaar geen arbeid heeft verricht die normaal actief vermogensbeheer te boven gaat. De stelling van het echtpaar dat zij vele transacties hebben verricht is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Ook beleggers kunnen namelijk veel transacties verrichten, waardoor dit enkele feit geen onderscheidend criterium is.
De rechtbank komt verder tot het oordeel dat de effectenportefeuille niet als ondernemings- of resultaatsvermogen van De Boekhouder kan worden geëtiketteerd. Ook al omdat het echtpaar op de zitting heeft gesteld dat de effectenportefeuille aanvankelijk in privé werd beheerd. De effectenportefeuille is dus niet verworven binnen het kader van de normale bedrijfsuitoefening van De Boekhouder. De effectenportefeuille is daarom (verplicht) privévermogen.
Box 3-inkomen naar nihil
Over het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen had de inspecteur al gesteld dat dat lager moet worden gesteld omdat geen rekening is gehouden met de rekening-courantschuld. Het echtpaar had gesteld dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen nog steeds te hoog is vastgesteld, gelet op het zogenoemde kerstarrest.
Als reactie hierop stelde de inspecteur op de zitting dat, gelet op de verliezen die zijn behaald op de effectenportefeuille, het voordeel uit sparen en beleggen negatief uitkomt en dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen daarom op nihil moet worden gesteld. De rechtbank ziet geen reden om van het standpunt van de inspecteur af te wijken en oordeelt dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen moet worden verminderd naar nihil.
Rechtbank Gelderland, ECLI:NL:RBGEL:2026:3032


Geef een reactie