In 2011 start een man een handel in auto ‘s. Hij werkt in 2016 en 2017 in loondienst. Met zijn activiteiten in zijn eenmanszaak behaalt hij in de periode 2011 tot en met 2017 alleen negatieve resultaten. Bovendien is in die jaren sprake van sterk dalende omzetten, met zelfs omzetten van nihil in 2014, 2016 en 2017. De inspecteur legt in 2018 de aanslag IB/PVV 2016 op conform de ingediende aangifte.
Landelijk project en query
De Belastingdienst start een landelijk project en doet daarbij een query, waarin de man ook is opgenomen, met als doel belastingplichtigen te selecteren waarbij de bron onderzocht moet gaan worden. De automatische verwerking van de aangifte IB/PVV 2017, waarvan de aanslag nog niet was vastgesteld, wordt door de inspecteur om die reden geblokkeerd.
De inspecteur stuurt de man een brief om informatie te verstrekken over de activiteiten om te kunnen beoordelen of wordt voldaan aan de bronvereisten. De man besluit om niet te reageren op de door de inspecteur opgestelde afspraken. Daarop legt de inspecteur een navorderingsaanslag over 2016 op en deelt hij de man ook mee dat hij wil afwijken van de aangifte IB/PVV over 2017.
In geschil voor hof Arnhem-Leeuwarden is of de inspecteur wel de bevoegdheid heeft om na te vorderen over het jaar 2016 en of de inspecteur voor de jaren 2016 en 2017 ten onrechte heeft beslist dat de activiteiten geen bron van inkomen vormen. Ook is in geschil of de inspecteur in strijd heeft gehandeld met het vertrouwensbeginsel en het motiveringsbeginsel.
Geen objectieve voordeelsverwachting
Het hof oordeelt dat de man, omdat hij stelt dat de activiteiten een bron van inkomen vormen, moet kunnen bewijzen dat ter zake van de activiteiten aan alle bronvoorwaarden is voldaan. Het hof oordeelt dat de man wel heeft voldaan de (bron) voorwaarde: deelname aan het economisch verkeer en de voorwaarde van het subjectieve oogmerk om voordeel te behalen. Het gaat er alleen nog om of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting.
Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank Noord-Nederland dat de man niet het van hem verlangde bewijs heeft geleverd dat in 2016 en in 2017 redelijkerwijs kon worden verwacht dat met de activiteiten een voordeel kon worden behaald. Mede omdat vanaf de start van de activiteiten in 2011, enkel negatieve resultaten zijn behaald. Nu geen sprake is geweest van een objectieve voordeelverwachting, vormen de activiteiten geen bron van inkomen.
De man stelt dat de inspecteur niet bevoegd is om na te vorderen. Het hof overweegt dat een inspecteur kan navorderen als enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren. Dan is sprake van een ambtelijk verzuim.
Aangifte met eerdere jaren vergelijken
Het hof overweegt dat een inspecteur bij het vaststellen van de aanslag, in principe, mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die de man in zijn aangifte vermeldt. Wel is de inspecteur verplicht, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, om aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid te twijfelen. Voor dergelijke twijfel is geen aanleiding indien de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn. De bewijslast met betrekking tot de stelling dat sprake is van een nieuw feit rust op de inspecteur. De inspecteur dient, voordat hij overgaar tot het opleggen van een primitieve aanslag, de aangifte in die zin aan een onderzoek te onderwerpen, dat zij vergeleken wordt met de gegevens, die in het dossier van de man aanwezig zijn.
Nader onderzoek vereist
Voor het hof staat het vast dat de man in de jaren 2011 tot en met 2017 met de activiteiten steeds negatieve resultaten heeft behaald. Uit het dossier van de man had de inspecteur, na vergelijking met de aangiften voor de jaren voorafgaand aan 2016, in redelijkheid behoren te twijfelen aan de juistheid van het op het inkomen uit werk en woning in aftrek gebrachte ondernemingsverlies.
De inspecteur had, naar het oordeel van het hof, vóór hij de aanslag voor het jaar 2016 oplegde, nader onderzoek moeten doen. De inspecteur heeft dan ook een ambtelijk verzuim begaan door de gegevens in de aangifte voor 2016 niet te vergelijken met de aangiften voor de jaren daarvoor en naar aanleiding daarvan geen nader onderzoek te doen. De navorderingsaanslag voor het jaar 2016 kan daarom niet in stand blijven.
Vertrouwens-en motiveringsbeginsel
De man stelt dat de inspecteur door het volgen van zijn aangiften voor eerdere jaren, waarin ook negatieve resultaten zijn aangegeven, bij hem een vertrouwen heeft gewekt dat sprake is van een bron van inkomen. Naar het oordeel van het hof is voor dat vertrouwen meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur een bewust standpunt heeft ingenomen ten aanzien van de bronbeoordeling waaraan hij het vertrouwen zou kunnen ontlenen dat de activiteiten een bron van inkomen vormen.
Van een schending van het motiveringsbeginsel is volgens het hof geen sprake. Naar het oordeel van het hof, heeft de inspecteur met zijn brief gericht aan de man voldoende gemotiveerd waarom hij vindt dat geen sprake meer is van een bron van inkomen. De man is meerdere keren in de gelegenheid gesteld om extra informatie aan te leveren, maar hij heeft aan dit verzoek niet voldaan. Dat de inspecteur vervolgens is overgegaan tot het opleggen van de belstingaanslagen ter behoud van rechten, rechtvaardigt niet de conclusie dat de aanslagen zonder motivering zijn opgelegd.
Het hof vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2016, maar verklaart het tegen de uitspraak van de inspecteur op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 ingestelde beroep ongegrond.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2026:2734


Geef een reactie