Dat deed het door geen rekening te houden met de directe werkzaamheden van de werknemer en door een overgenomen studieschuld op een ondoorzichtige manier te ‘resetten’. Hoewel het beding niet geheel nietig is, wordt de terugbetaling hierdoor beperkt tot een aanzienlijk lager bedrag dan gevorderd, terwijl de vorderingen voor een leaseauto en incassokosten volledig worden afgewezen.
Studiekostenovereenkomst
De werknemer, geboren in 1999, trad in 2020 in dienst bij CROP en startte daar met een duale accountancyopleiding aan Nyenrode Business Universiteit, gericht op het behalen van de titel registeraccountant. In 2023 maakte hij de overstap naar Borrie, dat hem benaderde en daarbij onder meer aanbood zijn bestaande studieschuld over te nemen en een leaseauto ter beschikking te stellen. Partijen legden hun afspraken vast in een arbeidsovereenkomst, algemene arbeidsvoorwaarden en een afzonderlijke studiekostenovereenkomst.
Die studiekostenovereenkomst voorzag in vergoeding van opleidingskosten door de werkgever, gekoppeld aan een terugbetalingsregeling met een aflopende staffel van drie jaar. Ook werd een salarisreductie van 7 procent toegepast voor studiedagen tijdens werktijd. De door Borrie overgenomen studieschuld van de vorige werkgever bedroeg ruim € 15.000 en werd onderdeel van de nieuwe regeling.
Carrièreswitch
Begin 2025 behaalde de werknemer zijn bachelor Accountancy. Kort daarna zegde hij zijn dienstverband op om een opleiding tot piloot te gaan volgen. Borrie maakte vervolgens aanspraak op terugbetaling van studiekosten en op vergoeding van leaseautokosten. Een deel van de studiekosten werd al verrekend met het laatste loon. De werknemer verzette zich daartegen en stelde onder meer dat sprake was van verplichte scholing, waardoor het studiekostenbeding nietig zou zijn. Daarnaast betwistte hij de grondslag voor de leasekosten en vorderde hij in reconventie onder meer uitbetaling van ingehouden loon.
Geen noodzakelijke scholing
De kantonrechter oordeelt dat het studiekostenbeding niet volledig nietig is, maar de terugbetalingsverplichting aanzienlijk moet worden beperkt. De vorderingen voor de leaseauto en incassokosten worden volledig afgewezen.
Ten aanzien van de studiekosten doorloopt de rechter een aantal stappen om te komen tot een gedeeltelijke toewijzing. De eerste vraag die beantwoording behoeft is of sprake is van scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie, zoals bedoeld in artikel 7:611a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. De werknemer stelde dat de registeraccountantopleiding noodzakelijk was voor zijn functie, wat het studiekostenbeding nietig zou maken.
De rechter verwerpt dit beroep. De functie van ervaren assistent-accountant kon ook worden uitgeoefend zonder de RA-titel; het was een gewenste, maar geen verplichte opleiding. Uit de functiebeschrijvingen bleek dat de RA-opleiding niet als vereiste stond genoemd voor deze functie en meerdere medewerkers oefenden de functie uit zonder die opleiding te volgen. De rechter oordeelt dat de opleiding vooral gericht was op het vergroten van de doorgroeimogelijkheden van de werknemer, bijvoorbeeld naar de functie van partner. Een dergelijke startkwalificatie voor een hogere functie valt echter niet onder de wettelijke definitie van noodzakelijke scholing voor de huidige functie.
Onvoldoende evenredig en onvoldoende duidelijk studiekostenbeding
Omdat het geen noodzakelijke scholing betrof, zijn partijen in beginsel vrij om een studiekostenbeding overeen te komen. Zo’n beding moet echter voldoen aan de eisen uit de rechtspraak, met name het arrest Muller/Van Opzeeland. Dit houdt in dat de door de werkgever gemaakte studiekosten in evenredigheid moeten staan tot de mate en periode waarin de studiewerkzaamheden mede ten bate van de werkgever hebben kunnen strekken. Daarnaast volgt daaruit dat als een studiekostenregeling bij beëindiging van het dienstverband een verplichting tot terugbetaling met zich meebrengt, deze voor de werknemer zo ernstige consequentie duidelijk aan hem zal moeten zijn uiteengezet.
De kantonrechter oordeelt dat het studiekostenbeding op twee punten ondeugdelijk is. Het eerste punt betreft de evenredigheid. De werknemer studeerde duaal, wat betekende dat hij doorgaans vier dagen per week werkte bij Borrie en hij ontving minder loon voor studiedagen die op werkdagen vielen. Borrie had dus vrijwel meteen baat van zijn studiewerkzaamheden. Het studiekostenbeding voorzag echter in een terugbetalingsstaffel van drie jaar, waarbij de terugbetalingsverplichting pas na afloop van een termijn van twaalf maanden na betaling van de kosten begon te verminderen. De rechter oordeelt dat het beding op dit punt onvoldoende rekening houdt met het directe voordeel dat Borrie van de werkzaamheden had, en daarom geldt de contractuele termijn van twaalf maanden niet tussen partijen.
Het tweede punt betreft de onvoldoende duidelijke uitleg over de overname van de studieschuld. Borrie had de openstaande studieschuld van de werknemer bij zijn vorige werkgever CROP overgenomen, een bedrag van ruim 15.000 euro. Bij CROP liep al een aflopende terugbetalingsregeling. Borrie resette deze termijn simpelweg door aan te sluiten bij de datum waarop zij de factuur aan CROP had betaald, met als gevolg dat de werknemer volgens Borrie nog 66,67 procent van de gehele factuurwaarde moest terugbetalen. Zonder deze reset had een deel van de factuurwaarde al afgeschreven en was een ander deel tegen een lager percentage terugbetaalbaar. De rechter oordeelt dat deze financiële consequentie onvoldoende kenbaar was uit de studieovereenkomst en dat Borrie dit onvoldoende duidelijk aan de werknemer had uiteengezet. Ook dit deel van het beding geldt daarom niet.
Omdat het beding op deze punten tekortschiet maar niet volledig nietig is, vult de kantonrechter de overeenkomst aan op basis van de redelijkheid en billijkheid zoals neergelegd in artikel 6:248 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. De rechter past de staffel als volgt toe. Voor wat betreft de peildatum wordt ten aanzien van de door Borrie rechtstreeks betaalde kosten aangesloten bij haar betaaldatum, maar ten aanzien van de door Borrie aan CROP betaalde kosten wordt aangesloten bij de oorspronkelijke factuurdata van CROP. De staffel wordt als volgt toegepast: alle studiekosten die in de twaalf maanden voor het einde van het dienstverband zijn betaald, zijn voor twee derde terugbetaalbaar, en kosten die in de periode van dertien tot en met 24 maanden voor dat einde zijn betaald, zijn voor een derde terugbetaalbaar.
Op basis van deze door de rechter bepaalde berekening, die in het vonnis in een tabel is weergegeven, komt het totaal aan te betalen studiekosten uit op 5.924,35 euro. Borrie had al een bedrag van 1.706,45 euro aan salaris verrekend en daarnaast 74,48 euro aan niet-genoten vakantiedagen. Na verrekening daarvan resteert een bedrag van 4.143,42 euro dat de werknemer aan Borrie moet betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van de werknemer in reconventie moeten worden afgewezen.
Lease
Wat betreft de kosten van de leaseauto oordeelt de rechter dat de gevorderde betaling van resterende leasetermijnen wordt afgewezen wegens gebrek aan grondslag. De in de algemene arbeidsvoorwaarden genoemde situaties waarin de werknemer de leasekosten moest betalen, deden zich in dit geval niet voor. Daarnaast was het feit dat geen sprake was van een overname van het leasecontract of een beëindigingsvergoeding aan de leasemaatschappij het gevolg van de verlenging van de leaseovereenkomst door Borrie zelf, waarin de werknemer niet was gekend. Borrie heeft niet gesteld, noch is gebleken, op grond waarvan de werknemer anders gehouden zou zijn de gevorderde leasetermijnen te betalen.
Incasso- en proceskosten
De door Borrie gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden eveneens afgewezen. De daarvoor vereiste veertiendagenbrief, een aanmaning waarin de schuldenaar een betalingstermijn van veertien dagen wordt gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning, ontbreekt. In geen van de aanmaningen van Borrie was een dergelijke geldige termijn opgenomen.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen en niet een van de partijen overwegend in het gelijk of ongelijk is gesteld, compenseert de rechter de proceskosten. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt, zoals het griffierecht en de eigen advocaatkosten. De kantonrechter veroordeelt de werknemer uiteindelijk tot betaling van 4.143,42 euro aan studiekosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 5 juli 2025, wijst alle andere vorderingen van de werkgever af, wijst de vorderingen van de werknemer in reconventie af en compenseert de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.


Geef een reactie