De Hoge Raad1 heeft aangegeven dat de inspecteur zelf een begin van bewijs moet leveren dat de juridische splitsing niet zakelijk is.
De casus
De zaak bij de Hoge Raad is aangespannen door een uitvaartmaatschappij. Zij wil een verzekeringsonderneming afstoten. Dit gebeurt door middel van een stappenplan. Onderdeel daarvan is dat de ondernemer zijn bedrijf en de daarbij behorende schuld afsplitst naar een nieuwe vennootschap, tegen uitreiking van één aandeel aan de aandeelhouder. Hierna bedraagt het saldo van het afgesplitste vermogen één euro. Direct na de afsplitsing zijn de aandelen in de nieuwe vennootschap verkocht aan een derde. De uitvaartmaatschappij vroeg aan de inspecteur een bevestiging dat de splitsing niet in overwegende mate was gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De inspecteur oordeelde dat de afsplitsingsfaciliteit niet kon worden toegepast.
Juridische afsplitsing
Het gaat hier om de afsplitsing als bedoeld in artikel 334a, lid 3, Boek 2 Burgerlijk Wetboek. Deze juridische afsplitsing wordt onder voorwaarden fiscaal begeleid (splitsingsfaciliteit). Deze begeleiding bestaat eruit dat de fiscale claim voor de vennootschapsbelasting (Vpb) wordt doorgeschoven naar de nieuwe vennootschap. Deze doorschuiving van de fiscale claim vindt op grond van artikel 14a, lid 6, Wet Vpb, niet plaats indien de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De splitsing wordt, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Daarbij vindt de splitsing niet plaats op grond van zakelijke overwegingen zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de splitsende- en de verkrijgende rechtspersonen. Dit is het eerste bewijsvermoeden.
Wanneer aandelen in de gesplitste rechtspersoon dan wel in een verkrijgende rechtspersoon binnen drie jaar naar een niet-verbonden derde partij gaan, worden zakelijke overwegingen niet aanwezig geacht. Het tegendeel moet dan aannemelijk worden gemaakt.2 Dit is het tweede bewijsvermoeden.
Standpunt van de inspecteur en het Gerechtshof
De uitvaartmaatschappij diende een verzoek in om zekerheid te krijgen of op de afsplitsing de splitsingsfaciliteit van toepassing was. De inspecteur wees dit verzoek af en beriep zich op het feit dat de aandelen in de nieuwe verkrijgende vennootschap direct na de afsplitsing waren verkocht. Hij beriep zich dus op het tweede bewijsvermoeden. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden volgde hem hierin en stelde dat de afsplitsing als hoofddoel het ontwijken van vennootschapsbelasting had. De splitsingsfaciliteit mocht volgens het Hof dus niet toegepast worden.
De Hoge Raad
De Hoge Raad stelde voorop dat de bepaling van het betreffende artikel beoogt aan te sluiten bij de tekst van het misbruikvoorbehoud in de Fusierichtlijn. Bij de uitvoering van de antimisbruikbepaling in de Fusierichtlijn mag geen algemeen vermoeden van belastingfraude of belastingontwijking worden gehanteerd. De inspecteur dient een begin van bewijs te leveren dat er geen sprake is van zakelijke overwegingen of dat er aanwijzingen bestaan voor belastingfraude of belastingontwijking.3
Ook bij verkoop van de aandelen binnen drie jaar dient de inspecteur nog steeds een begin van bewijs te leveren dat de splitsing daadwerkelijk niet heeft plaatsgevonden op grond van zakelijke overwegingen of dat er aanwijzingen bestaan voor het ontgaan of uitstellen van belastingheffing4.
Daarmee is de Nederlandse regeling van artikel 14a, lid 6, laatste volzin, Wet Vpb 1969 in strijd met de Fusierichtlijn. Omdat het Gerechtshof Arnhem/Leeuwarden de bewijslast onjuist verdeeld heeft, verwijst de Hoge Raad de zaak naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Aanwijzingen voor het verwijzingshof
Zowel het te bereiken doel van de juridische splitsing als de route daarnaar toe moeten wel zakelijk zijn. Ook aandeelhoudersmotieven kunnen zakelijke overwegingen opleveren. Een voorbeeld hiervan is de wens om de af te splitsen activiteiten te verkopen. Het is echter niet zo dat deze wens om de af te splitsen activiteiten te verkopen automatisch zakelijk is. Bij de beoordeling van de zakelijkheid moet ook gekeken worden naar alternatieven zoals verkoop van de deelneming of een activa-/passivatransactie. Verkoop van de deelneming zou overigens hier niet haalbaar zijn omdat de koper dan zou worden opgezadeld met een mogelijk nadelige uitkomst van een reeds langlopende discussie met de Belastingdienst.
Betekenis van het arrest voor de praktijk
De inspecteur kan dus niet meer louter uitgaan van de bewijsvermoedens. Het arrest van de Hoge Raad is ook van belang voor de bedrijfsfusiefaciliteit van artikel 14, lid 4, laatste volzin, Wet Vpb 1969 en op de splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting zoals deze gold tot 1 juli 2025. Met ingang van 1 juli 2025 is de splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting ingrijpend gewijzigd5.
Al met al zal de Belastingdienst in deze situatie zelf met een begin van bewijs moeten komen dat er voor de splitsing geen sprake is van zakelijke overwegingen. Of dat er aanwijzingen bestaan voor belastingfraude of belastingontwijking. Dit geldt ook als de aandelen binnen drie jaar na de splitsing worden verkocht. Het is nog steeds wel verstandig om vóór de splitsing een verzoek in te dienen bij de inspecteur dat de splitsing niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.
- Hoge Raad, 27 februari 2026, nr. 22/04085, ECLI:NL:HR:2026:298 ↩︎
- Zie artikel 14a, lid 6, Wet Vpb 1969 ↩︎
- Rechtsoverweging 4.2.5 van de Hoge Raad. ↩︎
- [1] Rechtsoverweging 4.3 van de Hoge Raad. ↩︎
- Eindejaarsbesluit 2024, Staatsblad 2024, 441 ↩︎


Geef een reactie