Voor de keuze tussen box 2 en box 3 werd onder andere gekeken naar het verwachte rendement. Wat is de keuze onder de voorgestelde nieuwe box 3-wetgeving?
Box 2 vanaf 1 januari 2028 geeft lagere belastingdruk voor werknemersparticipatie
Onder de huidige belastingwetgeving is het vaak interessant om te kiezen voor een belang dat in box 3 gehouden wordt. Als de rendementen voldoende hoog zijn levert de forfaitaire belastingheffing een lagere belastingdruk op dan wanneer belasting verschuldigd is over het werkelijke rendement. Vallen de rendementen tegen en is de belastingdruk daarmee hoger dan op basis van het werkelijk gerealiseerde rendement, kan sinds een aantal jaren gekozen worden voor belastingheffing op basis van het daadwerkelijke gerealiseerde rendement. Vanaf 1 januari 2028 is er geen keuze meer en wordt belasting geheven op basis van het gerealiseerde rendement in box 3. De keuze tussen box 2 en box 3 kan nog steeds op basis van de daadwerkelijke belastingdruk gemaakt worden. Op basis van de huidige belastingtarieven is het verschil in belastingdruk beperkt. Het tarief van box 3 is 36%. Als dat tarief niet wijzigt en de box 2-tarieven ook gelijk blijven, is de keuze qua belastingdruk als volgt: belastingheffing in box 2 tot € 67.804 24,5% (bij fiscale partners het dubbele) en daarboven 31% versus 36% in box 3. Daarbij abstraheer ik van de belastingvrijstelling van het werkelijk rendement vanaf 2028. Qua belastingdruk lijkt box 2 aantrekkelijker te worden dan box 3.
Vermogensaanwasbelasting ook een reden voor keuze box 2
Naast de belastingdruk is er nog een andere overweging waarom box 2 aantrekkelijker wordt: de belastingheffing in box 3 gebeurt voorlopig op basis van vermogensaanwasbelasing (VAB) in ieder geval tot de wet wordt aangepast. Of de wet wordt aangepast, moeten we nog afwachten. Behalve voor startups en scale-ups waar belasting pas wordt geheven als het voordeel wordt gerealiseerd bij een verkoop. Veel werkgevers voldoen niet aan de voorwaarden om als startup of scale-up aangemerkt te worden dus dat betekent dat voor een aandelenparticipatie geldt dat de aandelen jaarlijks gewaardeerd moeten worden per 1 januari en per 31 december om te bepalen of de aandelen in waarde zijn gestegen. Vervolgens zal over de waardestijging inkomstenbelasting verschuldigd zijn.
Het nadeel van de vermogensaanwasbelasting is dat er wel inkomstenbelasting betaald moet worden terwijl er nog geen voordeel is gerealiseerd. Het is zelfs mogelijk dat de werknemer niet over de liquiditeiten beschikt om de verschuldigde inkomstenbelasting te betalen. Dat zou dan betekenen dat een deel van de aandelen in de werkgever verkocht moeten worden. Als de aandelen niet gecertificeerd zijn in een stichting administratiekantoor, is daarvoor een gang naar de notaris vereist. Daarom is te hopen dat de belastingwet op dit onderdeel wordt aangepast en dat voor alle werknemersparticipaties geldt dat daarop het stelsel van vermogenswinstbelasting van toepassing wordt verklaard in plaats van vermogensaanwasbelasting.
Box 2 kent stelsel vermogenswinstbelastingbelasting
Het niet willen afrekenen over niet gerealiseerde waardestijging, kan een reden zijn om te kiezen voor een belang wat in box 2 gehouden wordt. In dat geval is pas inkomstenbelasting verschuldigd als de aandelen verkocht worden en het resultaat is gerealiseerd. Alleen op het moment dat de aandelen worden verworven zal een waardering gemaakt moeten worden en daarna is een jaarlijkse waardering niet meer vereist. Dit scheelt administratieve lasten omdat er geen jaarlijkse aandelenwaardering hoeft plaats te vinden.
Belang van minimaal 5% is toegangsticket tot box 2
Voor bestaande aandelenparticipaties maar ook voor nieuwe aandelenparticipaties kan voor invoering van de nieuwe belastingwetgeving per 1 januari 2028 een keuze gemaakt worden tussen box 2 en box 3. Belangrijk is dat voor een aandelenbelang in box 2 sprake moet zijn van een aanmerkelijk belang. Van een aanmerkelijk belang is sprake als men minimaal 5% van de aandelen van een bepaalde aandelensoort bezit. Door met een bijzonder soort aandelen te werken, kan gerealiseerd worden dat een werknemer sneller aanmerkelijk belanghouder is. Vergelijk met de deelnemingsvrijstelling waarbij pas sprake is van een deelneming als in minimaal 5% van het nominale gestorte kapitaal geparticipeerd wordt. Voor een aanmerkelijk belang geldt die eis dus niet. Door bijzondere aandelen te creëren kan met een relatief beperkte investering een aanmerkelijk belang verworven worden. Als met verschillende soorten aandelen gewerkt wordt, is een aandachtspunt dat die aandelen niet als een lucratief belang kwalificeren. Als ze wel als lucratief belang kwalificeren is over het gerealiseerde voordeel in box 1 inkomstenbelasting verschuldigd, tegen maximaal 49,5%.
Conclusie: voor 1 januari 2028 actie ondernemen
De aankomende box 3-wetgeving maakt dat voor bestaande aandelenparticipaties die in box 3 gehouden worden, maar ook voor nieuwe participaties gekeken moet worden of het nog steeds aantrekkelijk is om ze als box 3-belang te houden. Of dat via een aanpassing de aandelen overgaan naar box 2. Er is nog even de tijd om daarover een beslissing te nemen, voor 1 januari 2028 moet dat gedaan zijn.
mr. Ewoud de Ruiter is belastingadviseur bij 3RRR Belastingadviseurs en verbonden aan Publiq belastingadviseurs.
Werknemersparticipatie biedt kansen, maar vereist fiscale finesse. Door de structuur goed te ontwerpen en de regelgeving te kennen, voorkomt u onaangename verrassingen. Wilt u meer weten? Volg dan de cursus over werknemersparticipatie en lucratief belang op 2 juni 2026 bij Fiscaal Vanmorgen.


Geef een reactie