door Misha Hofland
Ondergang van Lodder & Co
Het nieuwe arrest van het hof is een van de vele hoofdstukken in de lange juridische nasleep van de ondergang van Lodder & Co. At Lodder richtte dat accountantsconcern in 2003 op en was jarenlang bestuursvoorzitter. Op het hoogtepunt telde het kantoor in 2013 elf vestigingen, achttien maten en ongeveer 250 medewerkers, maar enkele jaren later viel het concern na hevige interne ruzies uiteen. De oprichter werd uiteindelijk uit de maatschap gezet en stelt nog altijd dat hij het slachtoffer is geworden van een ‘coup’ van de andere maten. Ook Vrijheid Apeldoorn, de vennootschap waarmee Lodder aan Lodder & Co verbonden was, ging in 2019 failliet. De curator probeert Lodder en zijn Hassel Holding inmiddels aansprakelijk te houden voor het faillissementstekort.
Hof Den Haag
Het accountantskantoor waar het in de zaak bij het hof Den Haag om draaide werd in 2011 overgenomen door Nimol Holding en dochtervennootschap Nimol Rotterdam. Vrijheid Apeldoorn was na de overname enig aandeelhouder en bestuurder van Nimol Holding. Lodder is via Hassel Holding indirect bestuurder van Vrijheid Apeldoorn. Voor de overname verstrekte ABN Amro een kredietfaciliteit van 1,945 miljoen euro. Naast Lodder stelden drie anderen zich borg. Lodder stond voor 500.000 euro garant, een voormalige maat voor 112.500 euro.
Nimol Rotterdam ging in juni 2016 failliet. De bank zegde daarop het krediet op, waarop nog ruim 880.000 euro openstond. De voormalige maat kwam uiteindelijk met ABN Amro overeen dat hij 5.000 euro betaalde en voor het restant van zijn borgstelling werd gekweten. Lodder werd in 2019 door de rechtbank Gelderland als borg veroordeeld tot betaling van 500.000 euro, plus rente en kosten.
De voormalige registeraccountant stelde in hoger beroep inmiddels in totaal 600.000 euro aan de bank te hebben betaald. Op grond van artikel 7:869 BW wilde hij daarvan naar evenredigheid van de borgstellingen 65.000 euro verhalen op zijn voormalige zakenpartner. De rechtbank Rotterdam wees die regresvordering eerder al af.
‘Schrikbewind en anarchie’
Het hof komt tot dezelfde uitkomst. Naar het oordeel van het hof heeft de voormalige maat uitvoerig en met stukken onderbouwd gesteld dat het handelen en nalaten van lodder tot de teloorgang van Nimol Rotterdam BV en daarmee tot de opzegging van het krediet door de bank heeft geleid.
Daarbij speelt mee dat Lodder indirect enig bestuurder en aandeelhouder van Nimol Rotterdam was en als zodanig verantwoordelijk was voor het beleid. Volgens de voormalige maat voerde Lodder een beleid waardoor conflicten binnen het kantoor ontstonden, door hem aangeduid als een ‘schrikbewind’. De voormalige maat was aanvankelijk samen met een andere betrokkene verantwoordelijk voor het personeel. Nadat hij medewerkers had aangesproken op hun volgens hem lakse werkhouding, kwamen verschillende personeelsleden daartegen in opstand. Lodder zou hem vervolgens na een bespreking met het personeel op 6 juni 2012, waarbij de voormalige maat zelf niet aanwezig was, hebben ontheven van zijn taak om het personeel te managen.
Dat leidde volgens de voormalige maat tot ‘anarchie’ onder het personeel. Urenregistraties werden onjuist bijgehouden, personeelsleden begonnen te laat en gingen te vroeg naar huis. Ook werden declaraties te laat verstuurd, aanmaningen niet of pas laat verzonden en bleef de incasso van openstaande facturen achterwege. Dat had zijn weerslag op de liquiditeit van Nimol Rotterdam en leidde er volgens de voormalige maat toe dat meer klanten facturen betwistten. Lodder corrigeerde het personeel vervolgens niet, startte geen verbetertraject en gaf de voormalige maat evenmin de regie terug. Integendeel, volgens de voormalige maat heeft Lodder het personeel ‘weggepest’ door personeelsleden te ontslaan en lonen en ontslagvergoedingen niet te betalen. Medewerkers legden daarop beslag onder klanten, die vervolgens hun relatie met het kantoor opzegden. Uiteindelijk waren alle accountantsassistenten de deur uitgewerkt, aldus de voormalige maat.
Organisatie ‘volledig uitgehold’
In het jaar voorafgaand aan het faillissement waren volgens de voormalige maat door het handelen en nalaten van Lodder nog maar twee personeelsleden werkzaam en werden geen nieuwe mensen aangenomen. Nimol Rotterdam kon daardoor volgens hem onmogelijk nog langer aan zijn verplichtingen tegenover de bank voldoen en klanten konden niet of nauwelijks meer worden bediend. Lodder zou bovendien klantrelaties van de voormalige maat hebben gesaboteerd door die klanten niet tijdig te bedienen, met klantverlies tot gevolg. In februari 2014 kon de voormalige maat het pand in Rotterdam zelf niet meer in omdat hij geen sleutel kreeg, waardoor het afronden van jaarrekeningen van klanten in gevaar kwam. De organisatie werd door Lodder kortom ‘volledig uitgehold’, aldus de voormalige maat.
Onvoldoende betwisting door Lodder
Lodder heeft hier ook in hoger beroep onvoldoende tegenover gesteld, oordeelt het hof. “[appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling vooral slechts in algemene bewoordingen ‘de gang van zaken’ in Nimol Rotterdam BV beschreven, maar dat is als betwisting niet voldoende. [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling weliswaar de stelling ingenomen dat [geïntimeerde] zelf zijn personeelsmanagementtaken heeft neergelegd, maar hij heeft dit verder niet onderbouwd en die stelling strookt ook niet met de door [geïntimeerde] overgelegde stukken, waaronder de brief van de advocaat van [geïntimeerde] van 4 november 2013 waarin (de advocaat van) [geïntimeerde] zijn ernstige bedenkingen heeft geuit over het personeelsbeleid van [appellant] en de gevolgen daarvan voor de liquiditeitspositie van de onderneming. Enig weerwoord uit die periode heeft [appellant] niet overgelegd. [appellant] heeft verder aangevoerd dat de teloorgang van Nimol Rotterdam BV eerst en vooral het gevolg was van het onvoldoende omzet genereren door onder meer [geïntimeerde] (in het licht van de gepresenteerde prognose), maar met die stelling heeft hij onvoldoende gemotiveerd weersproken dat juist zijn eigen handelen zoals door [geïntimeerde] toegelicht (hiervoor, rov. 6.7 en 6.8), daaraan debet was.”
Geen procedure curator
Lodder wees er verder op dat de curator van Nimol Rotterdam nooit een procedure wegens onbehoorlijk bestuur tegen hem is begonnen en evenmin onbehoorlijk bestuur heeft vastgesteld. Volgens het hof volgt daar echter niet uit dat de curator van mening was dat van kennelijk onbehoorlijk bestuur geen sprake was. Het hof acht het niet onaannemelijk dat de curator van procederen heeft afgezien vanwege de beperkte middelen in de boedel en omdat Lodder inmiddels naar Thailand is verhuisd, waardoor de verhaalsmogelijkheden beperkt waren.
Geen getuigenverhoor
Ook een verzoek van Lodder om getuigen te horen die zouden kunnen verklaren ‘hoe het was’ bij Nimol Rotterdam helpt hem niet. Volgens het hof is dat bewijsaanbod onvoldoende specifiek en niet ter zake dienend, omdat Lodder geen concrete, voor de beslissing relevante feiten had genoemd die hij met die getuigen wilde bewijzen. Lodder verwees tijdens de zitting daarnaast naar verslagen van vergaderingen waaruit zijn lezing van de gebeurtenissen zou blijken, maar had die stukken niet in het geding gebracht.
Lodder aan het roer
Het hof stelt daarom als onvoldoende gemotiveerd betwist vast dat Lodder ‘aan het roer stond’ van Nimol Rotterdam en dat hem de teloorgang van de vennootschap en daarmee de opzegging van het krediet door de bank te wijten valt. Die bijdrage is dermate zwaarwegend dat het volgens het hof naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om zijn voormalige zakenpartner als medeborg aan te spreken.
Daarmee hoeft niet meer te worden beoordeeld of Lodder daadwerkelijk het door hem gestelde bedrag van 600.000 euro aan de bank heeft betaald. Zelfs als dat komt vast te staan, verandert dat niets aan de uitkomst. Het vonnis van de rechtbank Rotterdam wordt bekrachtigd. Lodder moet daarnaast 5.691 euro aan proceskosten in hoger beroep betalen.


Geef een reactie