Zaak nrs: 25/710 Wtra AK en 25/1817 Wtra AK
Coronateststraten
Tunica runde coronateststraten in het kader van het programma ‘Testen voor Toegang’. Na afloop ontstond een conflict met een voormalig zakenpartner over de winstverdeling en de rechtmatigheid van facturen van uitzendbureau Med-Jobs, met name voor stand-by-uren ter waarde van circa € 1,38 miljoen. De Rechtbank Amsterdam benoemde een forensisch accountant van Grant Thornton als gerechtelijk deskundige om een eindafrekening op te maken. In een eerdere, gerelateerde tuchtzaak werd een andere accountant al berispt vanwege zijn rol bij het verwerken van omstreden facturen. De onderhavige klacht is ingediend door de voormalig zakenpartner, die meent dat de forensisch accountant onvoldoende oog had voor fraude-indicatoren.
Beperkte toetsing bij gerechtelijk deskundigen
Centraal stond de vraag of de accountant – benoemd als gerechtelijk deskundige door de Rechtbank Amsterdam – zijn onderzoek ondeugdelijk had uitgevoerd. De klager, voormalig zakenpartner binnen het samenwerkingsverband rond coronateststraten, stelde dat het onderzoek te beperkt was en dat duidelijke fraude-indicatoren zijn genegeerd.
De Accountantskamer stelt echter voorop dat de toetsing van rapporten die in opdracht van een rechter zijn opgesteld “slechts in beperkte mate mogelijk is”. De tuchtrechter beoordeelt niet opnieuw de inhoud van het deskundigenbericht, maar uitsluitend of de accountant heeft gehandeld in strijd met fundamentele beroepsregels, zoals vakbekwaamheid en zorgvuldigheid:
‘Betrokkene is een door de rechtbank benoemde deskundige en heeft in die hoedanigheid zijn onderzoek gedaan en gerapporteerd. Volgens vaste jurisprudentie[17] strekt een tuchtrechtelijke procedure er niet toe om de inhoud of de wijze van totstandkoming van een deskundigenbericht dat is opgesteld in het kader van een civielrechtelijke procedure, opnieuw en integraal te onderzoeken. Beoordeeld moet worden of de accountant bij het opstellen van zijn deskundigenbericht in strijd heeft gehandeld met de voor hem geldende beroeps- en gedragsregels. Van die beroeps- en gedragsregels maakt het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid onderdeel uit.’
Onderzoek bewust beperkt, met instemming partijen
Binnen dat kader oordeelt de tuchtrechter dat de klager zijn verwijten niet aannemelijk heeft gemaakt tegenover het gemotiveerde verweer van de accountant.
Een belangrijk element in de beslissing is dat de reikwijdte van het onderzoek expliciet is beperkt, met instemming van zowel partijen als de rechtbank. De accountant hoefde daardoor niet de volledige administratie te onderzoeken, maar zich te richten op specifieke posten, met name facturen van uitzendbureau Med-Jobs voor personeel van teststraten.
Volgens de Accountantskamer kan de accountant niet worden verweten dat hij andere door klager aangedragen ‘red flags’ buiten beschouwing heeft gelaten. Die vielen buiten de door de rechtbank vastgestelde onderzoeksvragen – en die beperking was bovendien mede door klager zelf geaccordeerd:
‘5.12. Anders dan in het klachtonderdeel ligt besloten, was het niet de taak van betrokkene de gehele administratie op juistheid en volledigheid te onderzoeken. In het tussenvonnis van 7 juni 2023 heeft de rechtbank, na partijen en betrokkene te hebben gehoord, een onderzoek bevolen ter beantwoording van een viertal vragen. Volgens de opdracht van de rechtbank diende betrokkene de eindafrekening per 31 december 2022 op te maken, onder meer rekening houdend met de reeds opgemaakte concepteindafrekening en andere relevante processtukken. Tot de opdracht behoorde wel de beoordeling van de facturen van [BV5] en andere facturen aangaande ingehuurde (uitzend)krachten op authenticiteit en juistheid, maar niet de beoordeling van alle posten in de administratie waarbij [BV1] haar vragen had. De Accountantskamer leidt dat ook af uit de brief van de rechtbank van 15 november 2023 aan betrokkene. Daarin gaat de rechtbank in op de omvang van het onderzoek en de rechtbank schrijft: ‘Punt D.ii. betreft nieuwe stellingen van [BV1] die buiten de reikwijdte van het deskundigenonderzoek vallen. U kunt dit punt dus ook schrappen’. Punt D.ii. had betrekking op kosten van [BV3] die volgens [BV1] door [BV2] waren voorgeschoten maar niet op eerstgenoemde zouden zijn verhaald waardoor de winstberekening van het tweede samenwerkingsverband niet zou kloppen.
5.13. In dit verband is verder van belang dat betrokkene in zijn brief aan de rechtbank van 23 oktober 2023 voorstellen heeft gedaan tot beperking van zijn onderzoek. Die hadden onder meer betrekking op de 15 bevindingen (beweerdelijke onregelmatigheden) van [D] inzake de administratie van [BV2]. Betrokkene heeft de rechtbank in overweging gegeven de derde onderzoeksvraag, die hiermee in verband stond, uit het onderzoek te laten. Betrokkene heeft ook voorgesteld de overige door [BV1] gestelde onjuistheden in de administratie te beperken en te volstaan met aspect D.i. ‘betreffende de drie onderwerpen die al door mij onderzocht zijn en nog in mijn deskundigenbericht moeten worden uitgewerkt.’ Deze drie onderwerpen zijn drie door [BV1] genoemde ‘trucjes’ in de administratie van het eerste samenwerkingsverband ([BV1] en [BV2]). Namens [BV1] is in een e-mail van zijn advocaat van 2 november 2023 ingestemd met de door betrokkene voorgestelde beperkingen van het onderzoek. In dit licht bezien kan het verwijt van klager dat betrokkene niet veel meer ‘red flags’ heeft onderzocht niet standhouden. [BV1] heeft immers met de beperktere scope van het onderzoek ingestemd en de rechtbank heeft de opdracht aan betrokkene dienovereenkomstig geformuleerd. Klager verliest dit aspect uit het oog. Het klachtonderdeel is ongegrond.’
Onvolledige informatie
De accountant kreeg tijdens zijn onderzoek naar eigen zeggen cruciale informatie niet, waaronder bankafschriften en loonstroken. Klager stelde dat hij onder die omstandigheden de opdracht had moeten teruggeven.
De Accountantskamer volgt dat niet. De accountant heeft herhaaldelijk om aanvullende stukken gevraagd en de beperkingen uitvoerig gedocumenteerd in zijn rapport. Daarmee waren zowel partijen als de rechtbank in staat de impact daarvan te beoordelen. Dat hij het onderzoek desondanks heeft voortgezet, is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
Geen verplichting tot fraudeonderzoek
Ook het verwijt dat de accountant onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar mogelijke fraude, strandt. De Accountantskamer benadrukt dat geen sprake was van een assurance-opdracht waarop controlestandaarden zoals NV COS 240 (fraude) van toepassing zijn. Het betrof een zogenoemde ‘overige opdracht’, waarbij andere normen gelden.
Dat de accountant de juistheid van circa €1,38 miljoen aan gefactureerde stand-by-uren niet kon vaststellen, betekent volgens de kamer niet dat hij fraude had moeten concluderen.
Scenario’s toegestaan en zelfs behulpzaam
Opvallend is dat de accountant, ondanks onzekerheden in de administratie, verschillende scenario’s voor de eindafrekening heeft uitgewerkt. De klager stelde dat dit buiten de opdracht viel. De Accountantskamer oordeelt echter dat dit juist in lijn was met de opdracht om een eindafrekening op te stellen. Omdat volledige zekerheid ontbrak, waren alternatieve scenario’s volgens de accountant – en impliciet ook de rechtbank – functioneel voor de waarheidsvinding. De civiele rechter koos uiteindelijk voor het scenario dat het meest in het voordeel van klager uitviel.
Veel verwijten van de klager raken volgens de Accountantskamer in wezen aan keuzes en uitgangspunten van de civiele rechter, zoals de gehanteerde winstverdeling en de afbakening van het onderzoek. Voor dergelijke bezwaren is het tuchtrecht niet de juiste route; daarvoor staat het hoger beroep bij de civiele rechter open.


Geef een reactie