De reacties daarop liepen uiteen: waar de één de regels zag als duidelijkheid en professionaliteit, vond de ander ze beperkend of ouderwets.
Die discussie bleef bij mij hangen. Niet zozeer vanwege de specifieke kledingregels, maar vanwege de vanzelfsprekendheid waarmee we bepaalde kleding koppelen aan professionaliteit. Een accountant die een jaarrekening controleert, neemt immers niet zomaar aan dat een getal klopt omdat het er betrouwbaar uitziet. We willen weten waarop dat oordeel is gebaseerd. Welke informatie ligt eraan ten grondslag? Welke aannames zijn gemaakt? En zijn die aannames eigenlijk wel terecht?
Bij kleding doen we iets opvallends anders. Een donkerblauw pak wordt gezien als professioneel, maar sneakers niet. Een verzorgd kapsel straalt betrouwbaarheid uit, terwijl een felgekleurd kapsel bij sommige mensen juist twijfel oproept over hun professionaliteit. Maar waarop baseren we dat eigenlijk?
Als antropoloog vind ik dat een interessante vraag. Niet omdat ik denk dat accountants allemaal in spijkerbroek naar hun klanten zouden moeten, maar omdat we bij kleding snel vergeten dat onze ideeën over professionaliteit cultureel bepaald zijn.
Bij veiligheidskleding is het eenvoudig. Een bouwhelm beschermt tegen vallende voorwerpen. Antislipschoenen verkleinen het risico op ongelukken. In een ziekenhuis zijn bepaalde kledingvoorschriften noodzakelijk vanwege hygiëne en patiëntveiligheid. Daar is een duidelijke relatie tussen de regel en het doel.
Maar waarom zijn sneakers op een accountantskantoor minder professioneel dan leren schoenen? Welke functie vervult de stropdas? En wat zegt een zichtbare tatoeage eigenlijk over iemands vermogen om een goede accountant te zijn? Daar gaat het niet meer over functionaliteit. Daar gaat het over bepaalde normen binnen een cultuur.
Professionaliteit is geen kledingstuk
Professionaliteit is een waarde; iets wat we belangrijk vinden, bijvoorbeeld betrouwbaarheid, deskundigheid of professionaliteit. Een norm is vaak een ongeschreven regel die bij een bepaalde waarde past. En juist daar wordt het interessant. Professionaliteit als waarde is niet nieuw. Vijftig jaar geleden vonden we het ook belangrijk en nu nog steeds. Wat er wél is veranderd, is welke ongeschreven regels passen bij de waarde ‘professionaliteit’.
Een werknemer sprak vroeger zijn leidinggevende aan met ‘u’. Mannen droegen naar kantoor een pak en stropdas. Zichtbare tatoeages waren voor veel representatieve functies ondenkbaar. Inmiddels zijn voornamen, informelere kleding en zichtbare tatoeages op veel werkplekken heel normaal. De waarde ‘professionaliteit’ is dus niet verdwenen, maar de normen die daarbij horen zijn veranderd. Dat geldt ook voor kleding. Een donkerblauw pak straalt betrouwbaarheid uit omdat wij daar als samenleving betekenis aan hebben gegeven. Niet omdat wol en katoen betrouwbaarder zijn dan denim.
Het probleem is dat we die culturele afspraken vaak niet meer herkennen als afspraken. Ze voelen als vanzelfsprekend. Een bepaalde manier van kleden wordt dan niet meer één mogelijke invulling van professionaliteit, maar dé professionele uitstraling. En precies daar begint voor mij het probleem met kledingvoorschriften.
Wie bepaalt wat professioneel is?
Een organisatie die een dresscode opstelt, bepaalt niet alleen wat werknemers mogen aantrekken. Zij bepaalt ook welke uiterlijke kenmerken binnen de organisatie als professioneel gelden. Voor iemand die daar vanzelfsprekend aan voldoet, is dat nauwelijks merkbaar. Voor iemand die ervan afwijkt, kan het betekenen dat diegene zich moet aanpassen om serieus genomen te worden. Als we kijken naar het ‘lookbook’ dat AFAS heeft opgesteld, dan zien we dat de voorbeelden vooral witte, jonge mensen betreft die slank zijn.
Kledingvoorschriften in het algemeen gaan vaak over gender. Kledingvoorschriften voor vrouwen gaan opvallend vaak over het lichaam: de lengte van een rok, een decolleté, blote schouders of een zichtbare buik. Bij mannen gaat het vaker over ‘nette kleding’. Daarmee leggen we niet alleen een norm voor professionaliteit op, maar ook voor onbewust vrouwelijkheid en seksualiteit.
Hetzelfde geldt voor cultuur en afkomst. Wat wij als verzorgd of representatief beschouwen, is niet cultureel neutraal. Een donker pak en steil haar worden gemakkelijk als neutraal gezien, terwijl een hoofddoek, afrohaar of dreadlocks sneller worden ervaren als een zichtbare culturele of religieuze uiting.
Dat is niet alleen een theoretische discussie. Nederlands onderzoek naar de arbeidsmarkt laat zien dat etnische achtergrond invloed kan hebben op de behandeling van sollicitanten. In een groot veldexperiment met 4.211 fictieve sollicitaties vonden Thijssen, Coenders en Lancee aanzienlijke verschillen in de behandeling van kandidaten met verschillende etnische achtergronden.
Dat betekent natuurlijk niet dat iedereen die een bepaalde haarstijl of kleding minder professioneel vindt bewust racistisch is. Wel laat het zien dat onze beoordeling van mensen niet altijd uitsluitend gebaseerd is op hun kwaliteiten. Soms spelen associaties en aangeleerde beelden mee zonder dat we ons daarvan bewust zijn.
En dan zijn er nog mensen voor wie een kledingvoorschrift simpelweg praktisch een grotere hindernis vormt. Denk aan iemand met sensorische gevoeligheid, orthopedische schoenen of een medische reden om bepaalde kleding te dragen. Een regel kan voor iedereen hetzelfde zijn en toch niet voor iedereen dezelfde gevolgen hebben.
Een inclusieve organisatie vraagt om een ongemakkelijke vraag
Als je naar een feest gaat waar een black-tie dresscode geldt, is het niet vreemd dat je daar rekening mee houdt. En hoe warm het ook is: een zwembroek of bikini draag je niet naar je kantoor. Ook een accountantskantoor mag van medewerkers verwachten dat zij verzorgd en passend gekleed naar een klant gaan. Dat lijkt mij volkomen redelijk. Maar tussen een redelijke verwachting van verzorging en het voorschrijven van kleding zit een belangrijk verschil.
Ik vind dat organisaties helemaal geen kledingvoorschriften nodig hebben. Niet omdat uiterlijk er niet toe doet, maar juist omdat we mensen de ruimte zouden moeten geven om zelf te bepalen wat voor hen verzorgd, passend en professioneel voelt. Ook wanneer zij naar een klant gaan. Een organisatie kan haar medewerkers toch gewoon zeggen: “Draag kleding waarin jij je prettig en zelfverzekerd voelt en waarin jij jezelf kunt zijn.” Waarom zouden we ervan uitgaan dat een medewerker pas professioneel overkomt wanneer diegene voldoet aan een vooraf bepaalde uiterlijke norm? Sterker nog: juist wanneer mensen zich vrij voelen om zichzelf te zijn, kunnen zij zich prettiger en zelfverzekerder voelen. Authenticiteit is geen bedreiging voor professionaliteit. Het kan er juist onderdeel van zijn.
Voor mij zit daar ook de kern van het inclusievraagstuk. Een kledingvoorschrift is nooit alleen een regel over kleding. Het is een regel over welke lichamen, identiteiten en culturele uitingen binnen een organisatie als professioneel worden gezien. Daarmee raakt een dresscode onvermijdelijk aan gender, afkomst, religie, lichaamsvorm en beperking. Niet iedere dresscode is met de intentie seksistisch, racistisch of discriminerend te zijn opgesteld. Maar zodra een organisatie één dominante norm van professionaliteit voorschrijft, bestaat het risico dat bestaande sociale normen over wie er ‘professioneel’ uitziet opnieuw worden bevestigd.
Als we diversiteit en inclusie werkelijk serieus nemen, zou het uitgangspunt daarom niet moeten zijn: hoe krijgen we iedereen zover dat zij aan dezelfde norm voldoen? Maar: hoeveel ruimte kunnen we mensen geven om professioneel te zijn zonder dat zij daarvoor hun identiteit, lichaam of manier van uitdrukken hoeven aan te passen?
Dat vraagt misschien om iets wat binnen de accountancy juist heel vertrouwd zou moeten zijn: onze aannames kritisch bekijken. Waarom vinden we een donkerblauw pak professioneel? Waarom vinden we sneakers minder geschikt voor een klant? En wat zegt dat oordeel eigenlijk over de persoon die die kleding draagt?
Voor mij is het antwoord uiteindelijk eenvoudig: professionaliteit zit niet in de kleding. Laten we mensen daarom beoordelen op wat ze doen, niet op hoe dicht hun kleding bij onze eigen norm van professionaliteit komt.
Quinta Geerts, docente Maatschappijleer en Maatschappijwetenschappen bij Winford en antropologe.
Geef een reactie