Een vrouw drijft tot het einde van 2019 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Op 12 maart 2020 wordt het beroep bij de rechtbank Den Haag behandeld dat betrekking had op de aan de vrouw opgelegde aanslag IB/PVV 2016. Naar aanleiding van de afwikkeling van dat beroep doet de inspecteur de vrouw een (compromis) voorstel over beëindiging van haar eenmanszaak per ultimo 2019. In dat jaar zal ook de opgebouwde FOR van € 27.181 vrijvallen in de winst. De inspecteur zal de bedrijfskosten over de jaren 2017, 2018 en 2019, waarin de omzet nul was, in aftrek toestaan onder de bron winst uit onderneming.
FOR niet laten vrijvallen
Op 31 maart 2020 laat de ondernemer de inspecteur weten akkoord te gaan met zijn voorstel waarna het beroep over de aanslag van 2016 wordt ingetrokken. De vrouw doet vervolgens aangifte IB/PVV over het jaar 2019 waarin de aangegeven omzet van de eenmanszaak nihil bedraagt. Er worden wel bedrijfslasten aangegeven, maar geen vrijval van de FOR. Ook in de aangiften over de jaren 2020 en 2021 worden bedrijfskosten opgevoerd en de aangegeven omzet bedraagt nihil.
In mei 2024 stuurt de inspecteur de vrouw een brief waarin hij aangeef dat de vrouw zich akkoord heeft verklaard met het compromisvoorstel ter beëindiging van de beroepsprocedure betreffende de aanslag 2016 en dat de onderneming geacht wordt te zijn gestaakt per ultimo 2019. De inspecteur geeft aan dat de vrouw geen ondernemer meer is voor de inkomstenbelasting met ingang van 2020 en geen recht meer heeft op kostenaftrek van de onderneming. Daarom legt hij navorderingsaanslagen over 2019 en 2020 op. De aanslag over 2021 stelt hij vast conform het compromis.
Geen sprake van opzet
Naar de mening van de inspecteur is sprake van kwade trouw omdat de vrouw ondanks de op 31 maart 2020 uitdrukkelijk gemaakte afspraken in de aangifte IB/PVV 2019 het restant van de FOR van € 27.181 niet vrij heeft laten vallen in de winst. Daarom legt hij vergrijpboeten op bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2019 en 2020.
In een schriftelijke reactie hierop laat de vrouw de inspecteur weten dat geen sprake is van opzet met betrekking tot het niet naleven van de gemaakte afspraken bij het compromis ter beëindiging van de beroepsprocedure over de aanslag IB/PVV/ZVW 2016. En dat zij vanwege ziekte (corona) en persoonlijke omstandigheden bij het sluiten van het compromis tijdsdruk ervoer en zich niet bewust is geweest van de precieze inhoud van de afspraken en dat 2019 al zo dichtbij was.
Naar het oordeel van de rechtbank Den Haag is met de op 31 maart 2020 bereikte overeenstemming een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 Burgerlijk Wetboek tot stand gekomen. Dit brengt mee dat de vrouw in beginsel dient te worden gehouden aan (de gevolgen van) deze overeenkomst. Dit is slechts anders als sprake is geweest van een wilsgebrek bij haar ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Op haar rust de bewijslast om de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken waaruit dat wilsgebrek volgt.
Dwaling onder voorwaarden
De rechtbank overweegt dat in artikel 6:228, eerste lid, Burgerlijk Wetboek over dwaling, waarop de vrouw zich beroept, is bepaald dat een overeenkomst die tot stand is gekomen door dwaling onder voorwaarden kan worden vernietigd. Dat is wanneer de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij of als de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten. En tenslotte wanneer de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan.
Gezien de omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen van deze omstandigheden zich hier voordoet. De vrouw heeft onvoldoende feiten gesteld waaruit volgt dat zij de reikwijdte van de afspraak niet kon overzien. Ze heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van dwaling die zou kunnen leiden tot vernietiging van de overeenkomst.
Kwade trouw aannemelijk gemaakt
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur voldaan aan zijn bewijslast en aannemelijk gemaakt dat sprake is van kwade trouw. Gelet op de overeenkomst van 31 maart 2020 moet de vrouw zich ervan bewust zijn geweest dat bij het volgen van zijn aangiften de belastingschuld op een te laag bedrag zou worden vastgesteld. Naast het niet laten vrijvallen van (het restant van) de FOR in 2019 heeft zij in 2020 kosten in aanmerking die zien op een onderneming die reeds gestaakt was. De vrouw heeft opzettelijk de juiste inlichtingen aan de inspecteur onthouden en daarom mag de inspecteur over 2019 en 2020 navorderen.
De rechtbank ziet in de lange duur van de procedure aanleiding om de vergrijpboete over 2019 met 5% te matigen. De vergrijpboete die is opgelegd bij de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2020 bedraagt minder dan € 1.000,- zodat de rechtbank voor die boete volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2026:17551


Geef een reactie