Een verzekeringsmaatschappij keerde een vergoeding uit vanwege geleden vermogensschade door het verstrekken van verkeerde productinformatie bij het afsluiten van een lijfrenteverzekering. Door de inspecteur werd dat terecht als periodieke uitkering belast, oordeelt het Hof Den Bosch.
Een man sluit in 1997 een lijfrente af bij een verzekeringsmaatschappij. De beleggersverzekering expireert op 1 januari 2013. Het vrijgekomen kapitaal van € 19.834,- wordt aangewend voor de aankoop van een periodiek uitkerende lijfrenteverzekering.
Vervolgens start de man een klachtprocedure tegen de verzekeraar. De man verwijt de verzekeraar dat deze verkeerde productinformatie heeft verstrekt bij het afsluiten van de verzekering. De verzekeraar zou ook nalatig zijn geweest in het vervullen van zijn zorgplicht. In 2019 sluiten de man en de verzekeraar een vaststellingsovereenkomst om een einde te maken aan hun geschil. In de VSO staat dat de verzekeringsmaatschappij een brutobedrag van € 14.000.- zal uitkeren aan de man. Eventuele fiscale gevolgen van de uitbetaling van dit bedrag komen volgens de VSO voor rekening en risico van de man.
De man geeft het ontvangen bedrag van € 11.550,- niet aan in zijn aangifte over 2019, maar neemt wel de door de verzekeringsmaatschappij ingehouden loonheffing op in zijn aangifte. De inspecteur wijkt af van de aangifte en rekent de tegemoetkoming van € 11.550 tot de inkomsten uit vroegere arbeid.
Geen belaste uitkering maar onbelaste schadevergoeding
Dat vindt de man niet terecht en in beroep stelt hij dat geen sprake is van een (belaste) uitkering die direct verband houdt met de beleggingsverzekering, maar van een (onbelaste) schadevergoeding naar aanleiding van de klachtprocedure. De man stelt dat de verzekeringsmaatschappij om administratief-technische redenen en het belang om hoge proceskosten en negatieve publiciteit te voorkomen het een en ander zo heeft afgewikkeld.
In soortgelijke gevallen waarin door andere belastingplichtigen een VSO is gesloten met hun verzekeraar is, volgens de man, het door de verzekeraar uitgekeerde bedrag niet in de inkomstenbelasting betrokken. Hij beroept zich daarom op het gelijkheidsbeginsel.
Hof Den Bosch stelt voorop dat bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen als inkomen uit werk en woning worden aangemerkt. Onder deze periodieke uitkeringen en verstrekkingen vallen termijnen van lijfrenten en hetgeen wordt ontvangen ter vervanging van gederfde of te derven periodieke uitkeringen en verstrekkingen.
Verkeerde productinformatie en schending zorgplicht
De kern van de klacht, zo oordeelt het hof, was dat de man vermogensschade heeft geleden door verkeerde productinformatie en dat de verzekeraar zijn zorgplicht heeft geschonden. Naar het oordeel van het hof volgt hieruit dat de tegemoetkoming direct verband houdt met de aangegane beleggingsverzekering.
De tegemoetkoming ingevolge het bepaalde in artikel 3.102, lid 1, in verbinding met artikel 3.100 Wet inkomstenbelasting 2001 maakt onderdeel uit van de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen. En kwalificeert als een compensatie voor de geëxpireerde beleggingsverzekering. De tegemoetkoming is uitbetaald ter vervanging van gederfde periodieke uitkeringen en verstrekkingen dan wel als nabetaling van de periodieke uitkeringen en verstrekkingen zelf. De motieven van de verzekeringsmaatschappij die de man aanvoert, maken het feit niet anders, zo oordeelt het hof, dat de tegemoetkoming zijn grondslag vindt in de beleggingspolis.
Schending gelijkheidsbeginsel niet bewezen
Bij het beroep op het gelijkheidsbeginsel wijst de man op gevallen van derden die ter beëindiging van hun geschil met een verzekeringsmaatschappij van een in het verleden gesloten beleggingsverzekering, een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. De verzekeringsmaatschappij zou in die gevallen op de uitgekeerde vergoeding geen loonheffing hebben ingehouden.
Het hof is van oordeel dat de man geen overtuigende bewijzen heeft aangeleverd die wijzen op een schending van het gelijkheidsbeginsel. Uit de overgelegde geanonimiseerde stukken van anderen blijkt niet dat de aan hen uitgekeerde vergoedingen niet in de heffing van inkomstenbelasting zijn betrokken. Het hof vindt niet dat de inspecteur derden gunstiger heeft behandeld door de uitgekeerde vergoeding bij hen niet in de heffing van loon- of inkomstenbelasting te betrekken. Het hoger beroep is ongegrond.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, ECLI:NL:GHSHE:2024:1590



Geef een reactie