Een dag heeft in het verleden een lijfrenteaanspraak verzekerd bij zijn bv en de uitkeringen uit deze lijfrente zijn per 21 april 2016 ingegaan en bedragen € 11.182 per jaar. De bv heeft in het verleden aan de man een pensioentoezegging gedaan. De man zet deze pensioenaanspraken op 22 december 2017 om in aanspraken ingevolge een oudedagsverplichting. De uitkering op grond van deze verplichting bedraagt bij aanvang € 40.095.
De man heeft een rekening-courantschuld aan de bv die ultimo 2019 € 547.354 bedraagt. In zijn aangifte IB/PVV 2018 neemt hij een oudedagsverplichting-uitkering van € 17.650 op, in 2019 en 2020 geeft hij deze uitkering en de lijfrente-uitkering niet aan. Over alle drie de jaren legt de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV op. De man is van mening dat deze onterecht zijn opgelegd.
Niet in staat aan pensioenverplichting te voldoen
Volgens hem is geen sprake van een nieuw feit, omdat de inspecteur al jaren op de hoogte was van de feitelijke situatie bij zowel hem als de bv en wist dat de bv niet in staat was om de pensioenverplichting en de afdracht van loonbelasting op termijn te voldoen. De inspecteur had al eerder nader onderzoek moeten instellen naar de vraag of sprake was van het feitelijk prijsgeven of afkopen van het pensioen en de lijfrente.
De inspecteur betoogt voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant dat er geen redenen waren om de keurig verzorgde aangiften van de dga ‘uit te gooien’. Als met een normale zorgvuldigheid kennis wordt genomen van de inhoud van deze aangiften, dan zou aan de inhoud daarvan in redelijkheid niet getwijfeld te hoeven worden. Pas bij het beoordelen van de aangifte vennootschapsbelasting 2020 van de bv is geconstateerd dat een en ander in de aangiften IB/PVV niet juist is verwerkt.
Verrekening van uitkeringen vanuit de bv
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat hij pas naar aanleiding van de aangifte vennootschapsbelasting van de bv over het jaar 2020 over gegevens beschikte die hebben geleid tot het opleggen van de navorderingsaanslagen. Het gaat daarbij om gegevens uit de jaarrekening van de bv omtrent de (verrekening van de) uitkeringen vanuit de bv en gegevens betreffende de oudedagsverplichting-aanspraak en lijfrente-aanspraak.
Uitgaan van juistheid
De rechtbank overweegt dat de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag IB/PVV mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet verplicht. Hij moet wel nader onderzoek doen als hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, en mede gelet op de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor dergelijke twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.
De inspecteur hoefde in dit geval in redelijkheid niet te twijfelen aan de juistheid van de aangiften IB/PVV over 2018 tot en met 2020. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur voor ieder van de drie jaren beschikte over een nieuw feit op basis waarvan hij bevoegd was een navorderingsaanslag op te leggen.
Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet
Als de inspecteur bevoegd was tot navordering over te gaan, zoals ook ter zitting bevestigd, is niet in geschil dat de inspecteur de navorderingsaanslagen conform de wettelijke regels heeft opgelegd. De man beroept zich dan op het vertrouwensbeginsel en stelt onder verwijzing naar het Besluit van de staatssecretaris van 18 maart 2013, dat de navorderingsaanslagen moeten worden vernietigd, omdat sprake was van niet voor verwezenlijking vatbare rechten.
De rechtbank overweegt dat de dga in algemene zin een beroep doet op het Besluit, maar niet duidelijk maakt op welk onderdeel van het Besluit hij een beroep doet. Naar het oordeel van de rechtbank ziet het Besluit alleen op de vermindering van pensioenaanspraken op de pensioeningangsdatum, kent het allerlei voorwaarden en wordt het Besluit bovendien alleen op voorafgaand verzoek toegepast. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het Besluit bij de dga het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat kort gezegd heffing van inkomstenbelasting conform de wet achterwege zou blijven in het geval van de dga.
Daarom verklaart de rechtbank de beroepen ongegrond en blijven de navorderingsaanslagen in stand.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, ECLI:NL:RBZWB:2026:6362


Geef een reactie