De werknemer heeft aanspraak gemaakt op betaling van de vakantiedagen vanaf 104 weken arbeidsongeschiktheid, namelijk 8 november 2023 tot einde dienstverband op 30 april 2025. Dit komt volgens hem neer op totaal 238,35 uren niet genoten vakantie-uren.
De werknemer stelt zich in dit kader op het standpunt dat dit vakantie-uren zijn die hij heeft opgebouwd na het verstrijken van de loondoorbetalingsverplichting tot en met het uiteindelijke eindigen van de arbeidsovereenkomst.
Arbeidstijdenrichtlijn
Volgens de werknemer is artikel 7 lid 1 van Richtlijn 2003/88/EG (Arbeidstijdenrichtlijn), die inhoudt dat de werknemer recht heeft op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken, niet goed omgezet in de Nederlandse wetgeving. De werknemer verwijst hierbij naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 12 augustus 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7054.
De werkgever betwist de aanspraak van de werknemer.
Slapend dienstverband
Wanneer de werkgever na twee jaar arbeidsongeschiktheid van de werknemer het dienstverband met de werknemer niet opzegt, terwijl dat wel mag en waarbij de werkgever de werknemer geen loon meer betaalt, is sprake van een slapend dienstverband. De arbeidsovereenkomst is dan niet geëindigd maar partijen geven hier geen invulling aan.
Geen behoud van loon
De kantonrechter oordeelt dat bij een slapend dienstverband geen recht bestaat op jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Er is een verschil tussen de arbeidsongeschikte werknemer die zich in de wachttijd van artikel 7:629 lid 1 BW bevindt en de arbeidsongeschikte werknemer met een slapend dienstverband. Artikel 7 lid 1 Arbeidstijdenrichtlijn spreekt over behoud van loon. Bij een slapend dienstverband bestaat geen recht op loon dus kan er van behoud van loon ook geen sprake zijn.
Verschil tussen wachttijd en slapend dienstverband
De insteek in de wachttijd is dat de werknemer weer aan het werk gaat; dat kan zijn in de bedongen arbeid, andere passende arbeid of het tweede spoor. Bij die situatie past de gelijkstelling van de arbeidsongeschikte werknemer met de werknemer die daadwerkelijk heeft gewerkt.
Bij een slapend dienstverband is duidelijk dat deze re-integratie niet is uitgevoerd en ligt een aanvraag voor een WIA-uitkering voor de hand. Bij een slapend dienstverband is de werkgever immers bevoegd om het dienstverband op te zeggen (artikel 7:669 lid 1 en 3, aanhef en onder b BW). De door het HvJEU geformuleerde doelen (bijkomen door rust, ontspanning en vrije tijd) kunnen niet meer worden behaald.
Bovendien gaan de werkgever en werknemer er ook niet meer van uit dat de werknemer in de organisatie weer aan het werk zal gaan zodat de door de Arbeidstijdenrichtlijn beoogde bescherming van de veiligheid en gezondheid van de werknemer niet op die wijze hoeft te worden geborgd.
Verder valt de werknemer na de wachttijd vaak terug op een sociale zekerheidsuitkering. Deze uitkering loopt tijdens vakantie door zodat op die wijze ook voorzien wordt in vakantie met behoud van uitkering.
De kantonrechter wijst daarom het verzoek om de werkgever te veroordelen tot betaling van de 283,5 uren niet genoten vakantie-uren af.
Rechtbank Noord-Nederland, 19 december 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5517




Geef een reactie