Het hof oordeelt dat in deze procedure geen algemene kwalificatie kan worden gegeven en dat de zes chauffeurs die in hoger beroep aan de zijde van Uber hebben meegeprocedeerd, moeten worden beschouwd als zelfstandig ondernemer.
Procesverloop en prejudiciële vragen
De kernvraag in de procedure was of de arbeidsrelatie tussen Uber en haar chauffeurs kwalificeert als een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 BW. De rechtbank Amsterdam had FNV in 2021 in het gelijk gesteld en geoordeeld dat Uber-chauffeurs werknemers zijn. Uber stelde hoger beroep in.
In 2023 legde het hof prejudiciële vragen voor aan de Hoge Raad over (i) de betekenis van ondernemerschap bij de kwalificatie van een arbeidsrelatie en (ii) de mogelijkheid om die kwalificatie in één procedure voor een groep werkenden vast te stellen. De Hoge Raad verduidelijkte dat in het Deliveroo-arrest geen rangorde is aangebracht tussen de relevante omstandigheden die bij de kwalificatie een rol spelen, en dat dit ook geldt voor het aspect ondernemerschap. Daarnaast overwoog de Hoge Raad dat het zich kan voordoen dat dezelfde werkzaamheden, afhankelijk van de individuele omstandigheden, tot een verschillende kwalificatie leiden. Indien die omstandigheden te zeer uiteenlopen, kan de rechter geen algemeen oordeel geven over (groepen van) werkenden; slechts voor zover voldoende homogene groepen bestaan, kan een kwalificatie in de uitspraak tot uitdrukking worden gebracht.
Beoordeling door het hof
Tegen deze achtergrond komt het hof tot het oordeel dat de zes chauffeurs die in hoger beroep aan de zijde van Uber zijn opgetreden, niet als werknemer maar als zelfstandig ondernemer moeten worden aangemerkt. Daarbij acht het hof onder meer relevant:
- de omvang van de investeringen die de chauffeurs zelf hebben gedaan, waaronder de aanschaf en exploitatie van hun voertuig;
- de vrijheid om werktijden te bepalen;
- de mate van autonomie bij het al dan niet accepteren van ritten en de daaraan gekoppelde verdiensten;
- het dragen van ondernemersrisico’s, waaronder aansprakelijkheid en het risico van arbeidsongeschiktheid.
Het hof benadrukt tegelijkertijd dat niet is uitgesloten dat individuele Uber-chauffeurs wél op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn. In deze procedure kon echter niet worden vastgesteld dat dit voor individuele chauffeurs of voldoende afgebakende groepen geldt. Om die reden zijn de collectieve vorderingen van FNV afgewezen.
FNV teleurgesteld
FNV heeft teleurgesteld gereageerd en beraadt zich op vervolgstappen, waaronder het instellen van cassatieberoep bij de Hoge Raad en het starten van procedures namens individuele chauffeurs.
De vakbond had verwacht dat het hof in ieder geval chauffeurs die exclusief voor Uber werken als werknemer zou aanmerken. FNV zegt dat nu individueel moet worden gekeken of een chauffeur ondernemer of werknemer is. Bestuurder Amrit Sewgobind: “Dit is geen nee tegen chauffeurs, maar een juridisch obstakel. De rechter zegt niet dat alle chauffeurs zelfstandig zijn. Dat verschil is cruciaal.”


Geef een reactie