De partijen stonden tegenover elkaar na een adviestraject rond de gevolgen van de Wet excessief lenen. De Jachthoorn B.V. uit Hoenderloo schakelde in 2023 het Amsterdamse STP Tax in voor fiscale advisering. In de opdrachtbevestiging waren uurtarieven opgenomen variërend van € 185 tot € 395, afhankelijk van de betrokken medewerker en de aard van de werkzaamheden.
Al tijdens het traject ontstond onvrede over de oplopende kosten. In oktober 2023 liet De Jachthoorn weten dat slechts een strategie was opgesteld zonder dat vooraf een indicatie was gegeven van het aantal uren dat daarmee gemoeid zou zijn. STP reageerde met de toezegging een kosteninschatting voor toekomstige werkzaamheden te verstrekken, maar die kwam er niet.
De ergernis nam daarna verder toe. Toen eind 2023 opnieuw een factuur volgde, liet De Jachthoorn weten dat de gedeclareerde bedragen “de spuigaten uitlopen”. Ook begin april 2024 vroeg de onderneming zich af of de kosten van het traject nog wel opwogen tegen de mogelijke baten.
Twijfels over declaraties
Toen de facturen bleven oplopen, stelde De Jachthoorn zich op het standpunt dat de gedeclareerde bedragen niet in verhouding stonden tot het uiteindelijke resultaat van de werkzaamheden. Volgens de klant rechtvaardigde de uiteindelijke brief aan de Belastingdienst van 27 december 2023 niet het aantal geschreven uren.
Het hof constateert dat tussen partijen sprake was van een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 BW. Anders dan De Jachthoorn betoogde, is artikel 7:405 lid 2 BW over een “redelijk loon” niet van toepassing. Partijen hadden immers wel degelijk afspraken gemaakt over de vergoeding, doordat de uurtarieven expliciet in de opdrachtbevestiging waren opgenomen.
Wel merkt het hof op dat uit de door STP overgelegde stukken slechts beperkt blijkt welke werkzaamheden precies zijn verricht. Ook bleef volgens het hof onduidelijk wat partijen exact hadden afgesproken over de inhoud van de werkzaamheden. Daarnaast had STP weliswaar toegezegd een kosteninschatting te maken, maar die toezegging niet nagekomen.
Tegelijkertijd acht het hof aannemelijk dat de adviseur extra werkzaamheden moest verrichten doordat informatie niet steeds tijdig werd aangeleverd en contacten met andere betrokken partijen moeizaam verliepen.
Betalingstoezegging doorslaggevend
Uiteindelijk acht het hof de discussie over de precieze omvang van de werkzaamheden niet meer beslissend. Op 15 april 2024 maakten partijen namelijk afspraken over de openstaande facturen. Daarbij zegde De Jachthoorn toe de declaraties over oktober tot en met december 2023 uiterlijk op 21 juni 2024 te betalen. In ruil daarvoor zou STP geen kosten in rekening brengen voor werkzaamheden die tussen januari en begin mei 2024 waren verricht.
Volgens het hof ging het daarbij niet om een schikking of een nieuwe zelfstandige rechtsgrond voor betaling, maar om een toezegging tot betaling van reeds verschuldigde facturen. Daarom komt het hof niet toe aan het door de klant gedane beroep op dwaling.
De Jachthoorn stelde daarnaast dat de betalingsafspraak was komen te vervallen doordat de fiscalist met wie zij voornamelijk contact had gehad kort daarna vertrok bij STP. Volgens de klant was zij ervan uitgegaan dat juist deze adviseur de werkzaamheden zou blijven uitvoeren.
Enkele maanden na het vertrek van de fiscalist schreef De Jachthoorn aan STP teleurgesteld te zijn over de manier waarop de opdracht was uitgevoerd. Daarbij wees zij niet alleen op de kosten, maar ook op het onverwachte vertrek van haar belangrijkste contactpersoon kort nadat nog over de voortgang en de declaraties was gesproken. Volgens de onderneming voelde zij zich daardoor “bij de neus genomen”.
Het hof volgt dat standpunt niet. Voor toepassing van artikel 7:404 BW, dat ziet op opdrachten die met het oog op een bepaalde persoon zijn verleend, ziet het hof onvoldoende aanknopingspunten. Uit de opdrachtbevestiging bleek niet dat de werkzaamheden uitsluitend door deze fiscalist zouden worden verricht. Integendeel: daarin werden meerdere medewerkers genoemd en ook uit de urenspecificaties bleek dat verschillende personen aan het dossier werkten. Bovendien was een tweede adviseur gedurende het traject steeds betrokken bij de correspondentie.
Dat De Jachthoorn pas maanden na het vertrek van haar contactpersoon bezwaar maakte, speelt eveneens mee. Als de persoonlijke betrokkenheid van die adviseur werkelijk doorslaggevend was geweest, had het volgens het hof voor de hand gelegen dat daar direct na diens vertrek over was geklaagd.
Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de kantonrechter. De openstaande facturen moeten alsnog worden betaald. Daarnaast wordt De Jachthoorn veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, bestaande uit € 2.255 griffierecht en € 3.340 aan advocaatkosten.


Geef een reactie