Twee vennootschappen moeten alsnog ruim € 9.400 aan openstaande facturen, rente en incassokosten betalen.
Betalingsregeling liep stuk
Het geschil speelde tussen Dchtbj! MKB Accountants & Adviseurs en drie Amsterdamse vennootschappen die onder dezelfde bestuurder vallen. Het accountantskantoor verrichtte in 2024 en 2025 diverse administratieve werkzaamheden. Nadat de vennootschappen waren overgestapt naar een andere accountant, bleek volgens Dchtbj! nog ruim € 20.700 aan facturen open te staan.
De partijen troffen daarop een betalingsregeling. Daarbij kreeg de klantengroep 20 procent korting op de openstaande facturen en mocht het verschuldigde bedrag in twee termijnen worden betaald. De eerste termijn werd in juli 2025 voldaan, maar de tweede bleef uit. In september liet de bestuurder weten niet verder te willen betalen omdat het accountantskantoor volgens hem fouten had gemaakt. Pogingen om alsnog tot een regeling te komen mislukten.
Procedure deels stilgelegd door faillissement
Tijdens de procedure ging een van de drie vennootschappen failliet. Daardoor werd de zaak tegen die vennootschap van rechtswege geschorst op grond van artikel 29 Faillissementswet. De rechtbank beperkt haar beoordeling daarom tot de holding en de andere dochtermaatschappij.
Volgens de kantonrechter staat vast dat werkzaamheden zijn verricht en dat daarvoor in beginsel moest worden betaald. Ook het verweer dat de betalingsregeling nog steeds gold, slaagt niet.
De rechter oordeelt dat tijdige nakoming van de regeling een voorwaarde was voor zowel de betalingsfaciliteit als de verleende korting. Omdat de tweede termijn niet op de afgesproken datum werd betaald, verviel de regeling inclusief korting. Daarbij weegt mee dat het accountantskantoor de vennootschappen daar volgens de rechtbank meerdere keren expliciet voor had gewaarschuwd in e-mails en een sommatiebrief, “zodat zij er ook niet vanuit mocht gaan dat de betalingsregeling en de toegepaste korting nu nog steeds zou gelden. Dat betekent dat [gedaagden] in beginsel een betalingsverplichting tegenover Dchtbj! heeft ter hoogte van de (resterende) factuurbedragen.”
Geen opschorting zonder wens tot nakoming
De vennootschappen stelden vervolgens dat zij hun betalingsverplichting mochten opschorten wegens tekortkomingen in de dienstverlening van het accountantskantoor.
Dat verweer houdt volgens de kantonrechter geen stand. Een opschortingsrecht dient ertoe de wederpartij tot nakoming te bewegen. Tijdens de procedure verklaarden de vennootschappen echter dat zij geen nakoming meer van Dchtbj! verlangden. Daarmee ontbreekt volgens de rechtbank een wezenlijke voorwaarde voor een geldig beroep op opschorting.
Verrekening met herstelkosten mislukt
Ook het beroep op verrekening strandt. De vennootschappen voerden aan dat hun nieuwe accountant fouten had ontdekt in de administratie, waaronder de verwerking van een gebroken boekjaar. Daardoor zouden herstelkosten van ruim € 4.700 zijn gemaakt, die met de openstaande facturen moesten worden verrekend.
De kantonrechter laat in het midden of daadwerkelijk sprake was van tekortkomingen. Doorslaggevend is dat de vennootschappen het accountantskantoor nooit in gebreke hebben gesteld. Volgens de rechtbank moet een schuldenaar in beginsel eerst een laatste kans krijgen om eventuele fouten te herstellen. Dat de bestuurder naar eigen zeggen geen vertrouwen meer had in het accountantskantoor, vormt onvoldoende reden om zo’n herstelmogelijkheid achterwege te laten.
Omdat geen ingebrekestelling is verzonden, staat niet vast dat het accountantskantoor in verzuim is geraakt. Daardoor ontbreekt ook een opeisbare tegenvordering die voor verrekening in aanmerking kan komen:
“Het verrekeningsverweer van [gedaagden] slaagt niet. Of sprake is van een tekortkoming aan de zijde van Dchtbj! kan in het midden blijven. Er is namelijk niet gebleken dat [gedaagden] Dchtbj! in gebreke heeft gesteld. De functie van een ingebrekestelling is om de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is. Kort gezegd: het moet voor de schuldenaar duidelijk zijn dat hij of zij een laatste kans heeft om te presteren. Een dergelijke herstelmogelijkheid heeft [gedaagden] niet geboden aan Dchtbj!, terwijl dat wel van haar verwacht mocht worden. Dat [gedaagden] naar eigen zeggen geen vertrouwen meer had in Dchtbj!, is onvoldoende reden om die herstelmogelijkheid achterwege te laten. Zonder een ingebrekestelling staat niet vast dat Dchtbj! in verzuim is geraakt, zodat ook geen sprake is van een opeisbare tegenvordering van [gedaagden] Zij kan de herstelkosten dus niet verrekenen met de facturen van Dchtbj!.”
Vordering deels afgewezen
Niet alle vorderingen van Dchtbj! worden toegewezen. Ten aanzien van de holding stelde het kantoor aanspraak te hebben op ruim € 6.700. Uit de eigen administratie bleek echter een lager openstaand bedrag van € 6.472,29. Het verschil hield verband met een vordering op een andere vennootschap die niet in de procedure isbetrokken.
Volgens de kantonrechter heeft het accountantskantoor onvoldoende onderbouwd waarom de holding ook voor dat deel van de schuld aansprakelijk zou zijn geworden. Daarom werd de vordering op dat punt afgewezen.
Per saldo worden de Amsterdamse holding en de andere dochtermaatschappij veroordeeld tot betaling van de openstaande facturen, wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast moeten zij hoofdelijk ruim € 2.500 aan proceskosten vergoeden.


Geef een reactie