Een zoon gaat in 1991 een maatschap aan met zijn vader, die in 2013 komt te overlijden. Over de nalatenschap is destijds geen aangifte erfbelasting ingediend; de inspecteur legt de aanslagen erfbelasting ambtshalve op voor ieder van de zes erfgenamen, de moeder en vijf kinderen. Op 11 oktober 2018 overlijdt ook de moeder. Voor de verkrijging uit haar nalatenschap legt de inspecteur de zoon een ambtshalve aanslag erfbelasting op, aanvankelijk naar een belaste verkrijging van € 79.629. Na bezwaar wordt die verminderd tot € 52.531.
Voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant verschillen de zoon en de inspecteur over de hoogte van de overbedelingsschuld van erflaatster aan de erfgenamen in verband met de nalatenschap van de vader. De zoon is van mening dat deze schuld op basis van de opgelegde aanslag erfbelasting ter zake van de nalatenschap van de vader moet worden vastgesteld op € 268.405,-. Maar tijdens de zitting verklaart hij zich ook te kunnen vinden in het bedrag van € 193.960,- dat volgt uit de aangifte erfbelasting van 27 november 2024.
Onroerende zaken in maatschap ingebracht
In een eerdere procedure heeft de rechtbank Oost-Brabant geoordeeld dat de economische eigendom van de onroerende zaken is ingebracht in de maatschap, met uitzondering van het woongedeelte van de oude woning met bedrijfsruimte, 1.000 m² van de ondergrond van de oude woning en tuin en een oprit. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de maatschap op 21 december 2013 is ontbonden. Tijdens een zitting in 2023 kwamen de betrokken partijen vervolgens onder meer overeen dat de overige vier erfgenamen in totaal € 180.000 ontvangen uit de nalatenschappen van beide ouders, de bewindvoerder € 120.000 voor zijn werkzaamheden ontvangt en het overige deel van de nalatenschappen aan de zoon toekomt.
De rechtbank overweegt dat de nalatenschap in aanmerking dient te worden genomen naar de waarde in het economisch verkeer op het tijdstip van de verkrijging. Bij het overlijden van een langstlevende worden de overbedelingsvorderingen in de dan openvallende nalatenschap gewaardeerd naar de werkelijke (civielrechtelijke) waarde van die vorderingen.
Schattingen geven geen duidelijkheid
Het door de zoon genoemde bedrag van de schuld, € 268.405,-, is naar de overweging van de rechtbank gebaseerd op schattingen waarvan de inspecteur is uitgegaan bij het ambtshalve opleggen van de aanslagen ter zake van de nalatenschap van de vader. Dat betekent niet dat bij de vaststelling van de waarde van de nalatenschap van erflaatster ook van dit bedrag moet worden uitgegaan.
Naar het oordeel van de rechtbank dient evenmin uit te worden gegaan van het bedrag van € 112.500, zoals de inspecteur voorstaat. Ook dat bedrag berust op een schatting, namelijk op basis van het totaalbedrag van € 180.000,- dat is voortgekomen uit de vaststellingsovereenkomst in de procedure bij rechtbank Oost-Brabant. De inspecteur heeft bij gebrek aan informatie aangenomen dat dit aan de overige erfgenamen toegekende bedrag voor de helft voortvloeit uit de nalatenschap van de vader en voor de helft uit de nalatenschap van erflaatster.
Aangifte geeft betere indicatie
De rechtbank ziet aanleiding om aan te sluiten bij het bedrag van € 193.960,- dat volgt uit de aangifte erfbelasting van 27 november 2024. Een nadere onderbouwing van de in de aangifte opgenomen bedragen ontbreekt. Bovendien is het ook niet zeker of de inspecteur de aangifte zal volgen, maar naar het oordeel van de rechtbank geeft deze aangifte een betere indicatie van de werkelijke waarde van de overbedelingsschuld dan de schatting van de inspecteur.
Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de aangifte is ingediend namens de overige erfgenamen van vader. De zoon was niet betrokken bij de aangifte en had er in zoverre geen belang bij. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat er geen andere concrete gegevens zijn met betrekking tot de werkelijke waarde van de nalatenschap van de vader.
Het gevolg is dat de belaste verkrijging € 27.739,- bedraagt. Het beroep wordt gegrond verklaard en de aanslag erfbelasting wordt verminderd overeenkomstig de genoemde belaste verkrijging.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, ECLI:NL:RBZWB:2026:6742


Geef een reactie