Een AA wordt in 2024 benoemd tot executeur van het testament van een overleden vrouw. Zij was de weduwe van een in 1988 overleden dga. De drie dochters zijn aangewezen als enige erfgenamen. De enige zoon krijgt een legaat dat overeenkomt met de helft van de waarde van het erfdeel dat hij zou hebben gekregen als hij erfgenaam was geweest.
Twijfels over waarde
De zoon aanvaardt het legaat, maar heeft wel zijn twijfels bij de omvang van de boedel en het legaat. Hij wil meer weten over de waarde van de in de erfenis betrokken aandelen en grond. Ook vraagt hij informatie over de opbrengst van de verkoop van vastgoed, auto, antiek en juwelen. Verder wijst de zoon de AA op de langstlevende-clausule in het testament van zijn vader.
De AA gaat opnieuw rekenen en komt in februari 2025 met een nieuwe uitkomst. Die pakt niet hoger uit, maar lager. Dat komt door het opnemen van de vorderingen van de erfgenamen van de vader op het vermogen van de moeder. In maart krijgt de zoon zijn legaat uitgekeerd.
De zoon is daar niet tevreden mee. Hij tekent bezwaar aan, onder meer omdat de verkoop van aandelen en juwelen niet zijn meegeteld, en doet een beroep op zijn legitieme portie. Dat is de helft van wat een kind zou erven als er geen testament was – feitelijk dus in de basis de waarde van het legaat.
Informatie niet afgegeven
De AA duikt weer in de cijfers en komt vervolgens met de boodschap dat de zoon nog eens € 105.450 krijgt, rekening houdend met de schenking van de aandelen in de BV aan een van de dochters ter waarde van ruim een miljoen.
Dat bedrag wil de zoon zelf nog wel even controleren aan de hand van de betrokken documenten. Maar de AA komt niet met de paperassen over de brug en er ontstaat een juridisch geschil, waarbij inmiddels een gemachtigde is ingeschakeld. De rechter moet nog oordelen over de eis om de documenten af te geven.
Objectiviteit in het geding?
De zoon zal dat oordeel niet meer horen: hij is in september 2025 overleden. Zijn vrouw en enig erfgename laat het er echter niet bij zitten en dient een klacht in bij de Accountantskamer. De AA had zijn objectiviteit als executeur beter moeten bewaken, omdat hij ook de ‘familieaccountant’ was. Hij verzorgde bijvoorbeeld ook de cijfers van de onderneming van een van de dochters. Bovendien heeft hij te weinig informatie verstrekt, vindt ze.
Als executeur optreden van een nalatenschap merkt de Accountantskamer aan als het verlenen van een professionele dienst, omdat het werkzaamheden betreffen waarvoor de AA zijn vakbekwaamheid als accountant aanwendt of kan aanwenden. Daarom kan zijn handelen en nalaten worden getoetst aan alle fundamentele beginselen uit de VGBA.
Geen erfgenaam, maar schuldeiser
Is hij objectief genoeg geweest? De Accountantskamer vindt van wel, omdat er geen aanwijzingen zijn dat er sprake is (geweest) strijdige belangen of conflicten tussen de erfgenamen. De zoon is een legitimaris, wat zijn positie anders maakt: “De zoon is strikt genomen een schuldeiser van de nalatenschap. Hij kan een vordering indienen en heeft recht op informatie die hij voor het berekenen van zijn legitieme portie nodig heeft.” Van een gelijke positie tussen erfgenamen en legitimarissen is daarom geen sprake. De AA heeft namelijk de nalatenschap en de erfgenamen vertegenwoordigd en niet de legitimaris.
Advies van jurist
Op welke informatie de zoon recht heeft, moet de kantonrechter bepalen, zo oordeelt de Accountantskamer. De AA kan in elk geval niet worden verweten dat hij niet op alle informatieverzoeken is ingegaan. “Het is de accountant toegestaan om als executeur een bepaald standpunt in te nemen jegens de schuldeisers, in dit geval te weigeren bepaalde informatie te verstrekken, zolang dat standpunt niet kennelijk onjuist of misleidend is.” De AA heeft een jurist om advies gevraagd en dat maakt dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, ook niet als zou later blijken dat de adviezen van de jurist onjuist zijn.
De klacht wordt volledig ongegrond verklaard.


Geef een reactie