Een man is vanaf 2015, tezamen met zijn vader en broer firmant in een vof. De activiteiten van de vof bestaan voornamelijk uit het verpanden van producten. In dat verband wordt met cliënten een pandovereenkomst opgesteld, waarbij vier weken de tijd wordt gegeven om het verpandingsbedrag, verhoogd met een bedrag aan rente, terug te betalen. Wordt daaraan niet voldaan, dan wordt het product eigendom van de vof.
Naast de verkoop van deze niet opgehaalde producten, vindt ook verkoop plaats van nieuwe producten. Daarbij gaat het vooral om partijen goedkope huishoudelijke producten die bij gelegenheid worden gekocht en aan het assortiment worden toegevoegd. De vof had ook het voornemen om vuurwerk te gaan verkopen; de voor de opslag van vuurwerk benodigde vergunning is echter niet aan de vof verleend.
Rente van 2% voor geldleningen
Voor de financiering van haar activiteiten gaat de vof geldleningen aan bij een BV waarbij de aandelen in handen zijn van de man en zijn vader. Bij deze geldleningen is de vof een rente verschuldigd van 2%. Bij het tot stand komen van de geldleningen zijn van de vof geen zekerheden bedongen en ontbreekt een aflossingsschema.
De inspecteur voert een boekenonderzoek uit naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2015 tot en met 2017. Het onderzoek beperkt zich tot het verkrijgen van inzicht in de activiteiten van de vof en tot het beoordelen van de bronvraag. De vof maakt namelijk van 2015 tot en met 2021 jaarlijks verlies, behalve in 2022 waarin een klein positief resultaat werd behaald. De inspecteur legt de man een aanslag IB/PVV over 2018 waarbij de inspecteur aangeeft dat hij het verlies van € 47.597,- niet accepteert omdat bij de activiteiten van de vof geen sprake is van een bron van inkomen.
Objectieve voordeelsverwachting
Omdat de rechtbank Gelderland in haar uitspraak de inspecteur in het gelijk stelt gaat de man in hoger beroep bij het hof Arnhem-Leeuwarden. Het hof overweegt dat voor een bron van inkomen moet worden voldaan aan drie voorwaarden: deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen, en de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald. Niet in geschil is dat aan de eerste twee voorwaarden is voldaan. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat een objectieve voordeelsverwachting ontbreekt, nu met de activiteiten van de vof vanaf 2015 jaarlijks negatieve resultaten zijn behaald.
In het kader daarvan dient te worden onderzocht of de activiteiten van de vof voorzienbaar blijvend verliesgevend zijn dan wel of daarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij in de toekomst, positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren. De vraag of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet, naar het oordeel van het hof, in aanmerking worden genomen de rente op geldleningen die tot het in de vorm van vreemd vermogen werkzame kapitaal behoren. De BV heeft aan de vof onder zodanige voorwaarden geldbedragen ter leen verstrekt, zoals geen aflossingsschema en geen zekerheden, dat aangenomen mag worden dat sprake is van een dusdanig groot debiteurenrisico dat een derde een dergelijk risico niet zou hebben aanvaard, of slechts voor een hogere rente. Nu zelfs met een lage rente van 2% of minder reeds jaren achtereen negatieve resultaten zijn behaald, is niet aannemelijk dat naar zakelijke maatstaven in de toekomst redelijkerwijs een voordeel is te verwachten.
Wettelijke consumptieve rente fors verlaagd
Daarbij acht het hof onder meer van belang dat het de firmanten van de vof reeds vóór 2018 duidelijk was dat de wettelijk consumptieve rente die voor de beleningen in rekening mag worden gebracht in de jaren 2014 en 2015 fors was verlaagd, waardoor andere ‘pandjeshuizen’ daardoor hun activiteiten hebben gestaakt, En verder neemt het hof in aanmerking dat in 2016 bleek dat het de vof niet was toegestaan om de volgens de man lucratieve activiteit van verkoop van vuurwerk te verrichten.
De omstandigheid dat de vof in 2022 een bescheiden positief resultaat heeft behaald, leidt, mede gelet op de in voorgaande jaren geleden substantiële verliezen, niet tot het oordeel dat in de toekomst redelijkerwijs een voordeel is te verwachten. Dat geldt evenzeer voor de door de man in hoger beroep gestelde positieve jaarcijfers voor 2023 en 2024. Die cijfers, waarvan in deze procedure geen onderliggende stukken zijn ingebracht, kunnen mogelijk wel voor latere jaren tot de conclusie leiden dat sprake is van een bron van inkomen, maar naar het oordeel van het hof nog niet voor het jaar 2018.
De slotconclusie luidt daarom dat de activiteiten van de vof in 2018 geen bron van inkomen vormen en dat het belastbaar inkomen uit werk en woning niet verminderd wordt met het negatieve resultaat van € 47.597,- uit de vof.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2025:3678




Geef een reactie