Werken op een binnenvaartschip betekent over het algemeen werken in meerdere landen tegelijk. Een schip heeft een Rijnvaartverklaring1 nodig om op de Rijn te mogen varen. Gezien het bijzondere karakter van de Rijnvaart is op Europees niveau een verdrag gesloten waarin wordt overwogen dat bemanningsleden die op hetzelfde schip werken, onderworpen moeten worden aan dezelfde sociale wetgeving. Daarom is in de Europese Rijnvarendenovereenkomst vastgelegd dat het land waar de reder is gevestigd, verantwoordelijk is voor de sociale zekerheid van de werknemers. In dit geval dus Luxemburg. Toch ontstond er discussie met de Nederlandse Sociale Verzekeringsbank (SVB) over deze vraag: in welk land moeten de Nederlandse bemanningsleden van het schip van deze Luxemburgse binnenvaartrederij verzekerd zijn voor werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en voor de kinderbijslag?
A1-verklaringen
Vanaf 2016 werken er bemanningsleden op het schip uit Nederland, België en Roemenië. Ze hebben allemaal een zogenoemde A1-verklaring van de socialezekerheidsinstantie in Luxemburg (CCSS) gekregen, waarmee werd bevestigd dat ze in Luxemburg sociaal verzekerd waren. De Nederlandse socialeverzekeringsinstantie (SVB) nam in 2021 het initiatief om het CCSS te verzoeken de aan de Nederlandse bemanningsleden afgegeven A1-verklaringen voor de periode 2018 tot 2019 in te trekken. Vervolgens gaf de SVB zelf nieuwe A1-verklaringen af, waaruit volgt dat deze bemanningsleden over de betreffende periode in Nederland verzekerd waren. Met als gevolg dat de Nederlandse bemanningsleden forse naheffingen hebben ontvangen van de Belastingdienst en ze ook kinderbijslag moesten terugbetalen. De Luxemburgse werkgever en de betreffende werknemers waren het daar niet mee eens en maakten bezwaar.
Standpunt SVB
De SVB vond dat de Rijnvarendenovereenkomst niet van toepassing was. Volgens de SVB heeft het schip in de betreffende periode vooral in havens als Antwerpen, Vlissingen, Terneuzen, Gent en Zeebrugge gevaren en niet op de Rijn. Daarom zou de toepassing van de socialezekerheidswetgeving niet moeten worden vastgesteld op grond van de Rijnvarendenovereenkomst maar op grond van de Basisverordening 2. In de Basisverordening is vastgelegd dat het land waar een werknemer woont verantwoordelijk is voor de sociale zekerheid van de werknemer, voor zover de werknemer een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in zijn woonland verricht. In dit geval stelde de SVB zich op het standpunt dat de werknemers in de betreffende periode vooral in Nederland hadden gewerkt. Wat op zichzelf al discutabel is, want het schip heeft in de betreffende periode ook veel in België gevaren.
Wirwar aan regelingen
Als je overeenkomstig de Basisverordening vast moet stellen welk land verantwoordelijk is voor de sociale zekerheid van bemanningsleden op een binnenvaartschip, krijg je te maken met een wirwar aan regelingen. In de eerste plaats omdat bemanningsleden met verschillende nationaliteiten die op hetzelfde schip werken, en daarmee hetzelfde werk verrichten, onder verschillende socialezekerheidsstelsels vallen. Ook kan het voorkomen dat een bemanningslid periodiek onder verschillende socialezekerheidsstelsels valt, omdat de werkzaamheden telkens voor een bepaalde periode substantieel in een ander land worden uitgevoerd. Daarbij kan het voorkomen dat een schip in een bepaalde periode toch in de Rijnvaart wordt gebruikt, waardoor voor die periode de Rijnvarendenovereenkomst van toepassing is.
Definitie Rijnvaart
Voor wat betreft het gebruik van een schip in de Rijnvaart is relevant dat een schip (i) is voorzien van een Rijnvaartakte; en (ii) wordt gebruikt in de Rijnvaart. Voor wat betreft het begrip Rijnvaart worden verschillende opvattingen gehanteerd. Overeenkomstig de geografische uitleg kwalificeert Rijnvaart als vaart op de Rijn in conventionele zin, plus de Lek en de Waal. Dit sluit aan bij de kwalificatie in artikel 1, derde lid van de Herziene Rijnvaartakte. De Rijn in conventionele zin houdt op bij Gorinchem en Krimpen aan de Lek, waar eb en vloed van de zee nog merkbaar zijn en waar de Rijndelta begint. Doorvaart in de Rijndelta, dus voorbij Gorinchem en Krimpen aan de Lek, en in de Zeeuwse wateren op weg naar België is ook Rijnvaart. De functionele uitleg sluit aan bij de fictie van artikel 2, lid 3 van de Herziene Rijnvaartakte. Rijnvaart wordt dan uitgelegd als elke vaart van een schip met een vlag van één van de verdragsluitende partijen met een Rijnvaartverklaring3.
De SVB heeft zich in deze zaak primair op het standpunt gesteld dat de Nederlandse bemanningsleden niet aan te merken zijn als Rijnvarenden, omdat het schip in de betreffende periode niet op de conventionele Rijn heeft gevaren. De Rechtbank stelt onder verwijzing naar de Centrale Raad van Beroep (CRvB) vast dat op grond van artikel 1 sub a van de Rijnvarendenovereenkomst doorslaggevend is of een schip mede in de Rijnvaart wordt gebruikt en niet of de werknemer zijn beroepsarbeid aan boord van een schip in de beoordeelde periode ook verricht op de Rijn of een daarmee gelijkgestelde waterweg4. De rechtbank stelt daarbij vast dat de Rijnvarendenovereenkomst zelf geen definitie geeft van het begrip Rijnvaart. Ook de CRvB heeft zich niet uitdrukkelijk uitgesproken over wat onder het begrip Rijnvaart valt. De Rechtbank overweegt dat in artikel 1a van de Rijnvarendenovereenkomst een verband wordt gelegd tussen de Rijnvarendenovereenkomst en de Herziene Rijnvaartakte. Voor de duiding van het begrip Rijnvaart kunnen daarom argumenten aan de Herziene Rijnvaartakte worden ontleend.
Overeenkomstig de Herziene Rijnvaartakte dient het begrip Rijnvaart ruim te worden opgevat. De Herziene Rijnvaartakte schrijft over de Rijn en ‘zijn uitmondingen’. Onder ‘uitmondingen’ worden naar maatschappelijke opvattingen alle waterwegen verstaan die het water van de hoofdrivier naar de open zee afvoeren, zoals de Nieuwe Maas en de Gelderse IJssel. De Rechtbank ziet steun voor deze uitleg in artikel 2 li2 sub b van de Rijnvarendenovereenkomst waarin is bepaald dat de Rijnvarendenovereenkomst niet van toepassing is op personen die hun beroepsarbeid aan boord van een schip uitoefenen dat uitsluitend of hoofdzakelijk in een binnen- of zeehaven wordt gebruikt. Gezien deze uitzonderingsgrond vindt de rechtbank het aannemelijk dat daarmee is bedoeld dat de uitmondingen van de Rijn en de daaraan gelegen Rotterdamse zeehaven onder de Rijnvarendenovereenkomst vallen. Daarmee is gegeven dat de enge uitleg van het begrip Rijnvarenden zoals betoogd door de SVB onjuist is. De beroepsgrond slaagt5.
Ook het standpunt van de SVB – dat de Rijnvarendenovereenkomst niet van toepassing is omdat het schip hoofdzakelijk in zeehaven wordt gebruikt – wordt door de rechtbank niet gevolgd. De argumentatie in dit geval is vooralsnog feitelijk. De bemanningsleden hebben voldoende onderbouwd aangetoond dat het schip meerdere activiteiten buiten de (zee)havens heeft uitgevoerd. De SVB heeft onvoldoende concreet toegelicht dat het schip gezien het ruime geografische gebied dat de havens bestrijken en de beperkte onderlinge afstand (aldus de SVB) hoofdzakelijk wordt gebruikt in zeehavens. Ook deze beroepsgrond slaagt6. Daarmee worden de werknemers en de Luxemburgse werkgever in het gelijk gesteld.
Samenvattend
Volgens de rechtbank is de Rijnvarendenovereenkomst wél van toepassing, omdat het schip is ingezet in de Rijnvaart. Waarbij het begrip Rijnvaart ruimer moet worden geïnterpreteerd dan de SVB heeft gesteld, te weten: vaart op de Rijn inclusief haar uitmondingen tot aan zee. De rechtbank zoekt voor de definitie onder andere aansluiting bij de Herziene Rijnvaartakte. Daarnaast heeft de SVB niet kunnen aantonen dat het schip vooral in zeehavens heeft gevaren. Volgens artikel 4 van de Rijnvarendenovereenkomst is het land waar de exploitant van het schip gevestigd is bepalend voor de sociale zekerheid. In dit geval is dat Luxemburg. De SVB had het CCSS niet mogen verzoeken om de door Luxemburg afgegeven A1-verklaringen te schorsen en geen Nederlandse A1-verklaring mogen afgeven. De Nederlandse A1-verklaringen worden vernietigd en de schorsing van de door Luxemburg afgegeven A1-verklaringen moet ongedaan worden gemaakt.
Mr. Natasja Rensen is als advocaat verbonden aan Avanti Jure Advocaten en adviseert over internationaal contractrecht. Avanti Jure Advocaten werkt samen met Fiscount.
- Een Certificaat als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte. ↩︎
- EG-verordening 883/2004. ↩︎
- Parket bij de Hoge Raad van 9 december 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ2938 ↩︎
- Centrale Raad van Beroep van 28 februari 2019, ECLI:NL:CRBV:2019:852. ↩︎
- Rechtbank Amsterdam, 22 mei 2025, zaaknummer AMS 24/2410, 24/2411, 24/2412 en 24/2414 r.o. 4.4. ↩︎
- Rechtbank Amsterdam, 22 mei 2025, zaaknummer AMS 24/2410, 24/2411, 24/2412 en 24/2414 r.o. 4.4 ↩︎




Geef een reactie