Volgens het College bevatte het rapport onvoldoende inzichtelijke berekeningen en ontbraken mogelijke alternatieven voor de gebruikte uitgangspunten, waardoor de accountant de waarheidsvinding heeft belemmerd.
Rapport voor procedure bij gerechtshof
De zaak vloeit voort uit een langlopend geschil tussen voormalige echtgenoten over de verevening van pensioenrechten die tijdens het huwelijk in eigen beheer waren opgebouwd in de BV van de ondernemer. Nadat de ondernemer zijn werkzaamheden vanaf 2013 vanuit een eenmanszaak was gaan verrichten, schakelde zijn advocaat een registeraccountant in om als partijdeskundige een rapport op te stellen voor de hogerberoepsprocedure bij het gerechtshof Den Haag. De accountant moest beoordelen of het verrichten van de ondernemingsactiviteiten vanuit de eenmanszaak voorzienbaar nadelig was geweest voor de BV en de dekking van de pensioenverplichting. In zijn rapport concludeerde hij dat de BV onvoldoende vermogen zou hebben gehad om de pensioenrechten van de ex-echtgenote af te storten.
De ex-echtgenote diende daarop een tuchtklacht in. De Accountantskamer verklaarde vier onderdelen gegrond: de accountant had ten onrechte verwezen naar Standaard 5500N, had gehandeld in strijd met NBA-handreiking 1127 en had zijn uitgangspunten voor de btw-posities en de arbeidsongeschiktheidskosten onvoldoende onderbouwd. Daarvoor werd hij voor een maand uit het accountantsregister doorgehaald.
Geen uitbreiding van de klacht
In hoger beroep voerde de accountant onder meer aan dat de Accountantskamer de klacht ten onrechte had uitgebreid. Volgens hem was hem nooit verweten dat zijn rapport niet toelichtte hoe de gekozen rentevergoeding de uitkomst van de berekeningen beïnvloedde.
Het College volgt dat betoog niet. Weliswaar mag de Accountantskamer een klacht niet uitbreiden met nieuwe verwijten, maar zij mag een omvangrijke klacht wel zakelijk samenvatten en thematisch groeperen. Volgens het College lag in het verwijt dat de accountant van een niet-zakelijke rentevergoeding was uitgegaan, besloten dat ook de invloed van die rente op de berekeningen inzichtelijk had moeten worden gemaakt. Daarom was geen sprake van een ongeoorloofde uitbreiding van de klacht.
Ook partijdeskundige moet waarheidsvinding dienen
De accountant stelde daarnaast dat de Accountantskamer onvoldoende had meegewogen dat hij optrad als partijdeskundige en daarom in zekere mate het belang van zijn opdrachtgever mocht dienen.
Het College heeft eerder overwogen (uitspraak van 1 september 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:597)) dat, als het gaat om een in een civielrechtelijke procedure ingebracht rapport opgesteld door een accountant die als deskundige een partij bijstaat, beoordeeld moet worden of de accountant bij het opstellen van dat rapport in strijd heeft gehandeld met de voor hem geldende beroeps- en gedragsregels. Daarbij geldt dat een accountant behalve het belang van zijn opdrachtgever ook het algemeen belang heeft te dienen. Gelet op de toegevoegde waarde die in het maatschappelijke verkeer aan een accountantsrapport in een gerechtelijke procedure wordt toegekend en het algemene belang dat rechtspraak op objectieve waarheidsvinding berust, betekent dit dat de accountant ervoor dient te zorgen dat zijn rapport deze waarheidsvinding niet belemmert, doordat dit te eenzijdig is toegespitst op het standpunt of belang van de opdrachtgever (zie ook de uitspraak van het College van 2 februari 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:26, onder 6)). Hoewel een accountant gegevens mag verzamelen ter onderbouwing van een partijstandpunt om daarmee het belang van die partij te dienen, moet hij zich daarbij houden aan het fundamentele beginsel van objectiviteit. Verder vereist het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid dat de bevindingen in het rapport een deugdelijke grondslag hebben. Van een ondeugdelijke grondslag van het rapport kan ook sprake zijn als de accountant niet heeft gehandeld overeenkomstig de op de opdracht van toepassing zijnde NBA-handreiking. Niet in geschil is dat de opdracht die de accountant namens de ondernemer kreeg, kan worden aangemerkt als een opdracht uitgevoerd ter ondersteuning bij (potentiële) geschillen, zoals bedoeld in NBA-handreiking 1127. Volgens paragraaf 4.3 van die handreiking moet het voor de gebruiker van het rapport duidelijk zijn als er relevante alternatieve interpretaties van de feiten mogelijk zijn dan die van de opdrachtgever en de accountant. Volgens paragraaf 4.4 van die handreiking moet als de accountant voor het rapport keuzes heeft gemaakt uit relevante alternatieven, niet alleen het bestaan van die alternatieven blijken uit het rapport, maar ook hoe de accountant daarmee is omgegaan.
Het College ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de door de Accountantskamer gehanteerde toetsingsmaatstaf over de rol van een accountant als partijdeskundige in een gerechtelijke procedure afwijkt van die van het College. Waar het op aankomt, is dat de accountant de door hem in het rapport gepresenteerde conclusies deugdelijk onderbouwt en daarbij voldoende transparant is over de vraag of de weergegeven gegevens feitelijke aannames van de opdrachtgever zijn, dan wel of sprake is van door de accountant op basis van eigen onderzoek getrokken conclusies. Daarnaast is van belang dat de objectieve waarheidsvinding door de inhoud van het rapport niet wordt belemmerd. Het betoog van de accountant dat de Accountantskamer in de bestreden uitspraak onvoldoende heeft toegelicht waarom hij in strijd met deze uitgangspunten heeft gehandeld, volgt het College niet. De Accountantskamer heeft volgens het College terecht overwogen dat de accountant voor het in zijn rapport opgenomen berekende salaris van de ondernemer alternatieven had moeten vermelden. Datzelfde geldt voor de in het rapport gehanteerde rentevergoeding die de BV zou ontvangen. Dat het gerechtshof het rapport uiteindelijk niet aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd en daarom volgens de accountant geen sprake was van belemmering van de waarheidsvinding, doet volgens het College niet ter zake. Op het moment dat de accountant het rapport opstelde, kon hij dat immers nog niet weten. Deze hogerberoepsgrond slaagt daarom niet.
Ontbrekende onderbouwing
Ook het oordeel dat de accountant de gekozen bedragen voor de arbeidsongeschiktheidspremie onvoldoende had onderbouwd, blijft overeind. Pas in hoger beroep lichtte hij toe dat deze bedragen waren ontleend aan aangiften inkomstenbelasting. Volgens het College bevestigt dat juist dat de onderbouwing in het rapport zelf ontbrak. De enkele vermelding van de aangiften in de lijst met geraadpleegde stukken is daarvoor onvoldoende.
Doorhaling blijft in stand
Het College acht de maatregel van een tijdelijke doorhaling van één maand passend en geboden. Het onderschrijft het oordeel van de Accountantskamer dat de accountant als partijdeskundige een eenzijdig rapport heeft opgesteld waarin inzichtelijke berekeningen en mogelijke alternatieven voor de gebruikte gegevens ontbreken. Ook volgt het College de conclusie dat de accountant met zijn aannames en keuzes te veel het belang van zijn opdrachtgever voor ogen heeft gehad en daarmee de objectieve waarheidsvinding heeft belemmerd. Dat de accountant tijdens de zitting bij de Accountantskamer niet alle vragen kon beantwoorden omdat hij niet alle dossierstukken had meegenomen, komt volgens het College voor zijn eigen rekening en risico. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard.
College van Beroep voor het bedrijfsleven, ECLI:NL:CBB:2026:270


Geef een reactie