De aanslag werd in bezwaar volledig teruggedraaid. In een daaropvolgende procedure over de gemaakte kosten oordeelde Rechtbank Den Haag dat de inspecteur de aanslag tegen beter weten in had opgelegd.
De zaak laat zien dat een hoge winst op oprichtersaandelen niet automatisch onder de lucratiefbelangregeling valt. Wanneer is aandelenwinst ondernemersrendement en wanneer ziet de fiscus die als een beloning voor werk?
Wat is een lucratief belang?
Van een lucratief belang kan sprake zijn als iemand mede vanwege zijn werkzaamheden een aandeel, lening of ander vermogensrecht krijgt waarmee hij op een relatief kleine investering een uitzonderlijk hoog rendement kan behalen. Dit speelt vooral bij private equity en managementparticipaties. Een hoog rendement alleen is echter niet voldoende.
Cijfervoorbeeld
Een private-equityfonds koopt een onderneming voor € 10 miljoen. Het fonds investeert € 9,9 miljoen, waarvan € 9,8 miljoen recht geeft op jaarlijks 8% samengesteld rendement. Het management investeert € 100.000. Bij verkoop krijgt het fonds eerst zijn investering en het afgesproken rendement terug. Het management ontvangt vervolgens 20% van wat overblijft.
Na vijf jaar wordt de onderneming verkocht voor € 40 miljoen. Het fonds ontvangt volgens de afspraken eerst ongeveer € 14,5 miljoen. Van de resterende € 25,5 miljoen krijgt het management 20%, oftewel € 5,1 miljoen. Na aftrek van zijn inleg maakt het management dus € 5 miljoen winst.
Bij een normale verdeling naar rato van de investering zou het management een belang van 1% hebben gehad. Dat zou bij verkoop € 400.000 waard zijn geweest, met een winst van € 300.000. Het verschil laat zien hoe een beperkte investering tot een uitzonderlijk hoog rendement kan leiden.
Wanneer is sprake van een lucratief belang?
Het enkele feit dat iemand veel verdient met aandelen betekent nog niet dat sprake is van een lucratief belang. De regels zijn ingewikkeld. Twee vragen helpen om het risico op een lucratief belang te herkennen.
(1) Hoe worden de winst en de verkoopopbrengst verdeeld?
Bij managementparticipaties gelden vaak verschillende rechten voor verschillende aandeelhouders. Sommige investeerders krijgen bij verkoop eerst hun inleg en een afgesproken rendement terug. Andere aandeelhouders ontvangen pas daarna iets, maar kunnen dan wel recht hebben op een groot deel van de resterende winst. De naam van een aandeel of lening is niet doorslaggevend. Het gaat erom wie welk risico loopt en wie bij succes welk deel van de opbrengst ontvangt.
De wet bevat enkele technische categorieën, maar ook daarbuiten kan een belang als lucratief worden aangemerkt. De Belastingdienst kijkt daarom naar de economische uitkomst van alle afspraken. Kan iemand met een beperkte investering een uitzonderlijk hoog rendement behalen? En hangt dat rendement samen met zijn werkzaamheden of positie? Dan ontstaat een fiscaal risico.
(2) Waarom is het belang verkregen?
Bij een oprichter die vanaf het begin gewone aandelen houdt, ligt de situatie vaak anders dan bij een manager die later instapt. De oprichter loopt doorgaans daadwerkelijk ondernemersrisico. Een sterke waardestijging na jaren is dan meestal ondernemersrendement. Dat de oprichter na investeringsrondes nog maar een beperkt percentage van de aandelen bezit, maakt dit niet anders.
Bij een manager die later tegen gunstige voorwaarden instapt, kan het verband met de werkzaamheden sterker zijn. Het risico op een lucratief belang neemt vooral toe als die manager met een beperkte investering recht krijgt op een relatief groot deel van de winst.
Oprichter zijn biedt overigens geen automatische bescherming. Krijgt een oprichter later bijzondere winstrechten of achtergestelde aandelen, dan moet de nieuwe structuur opnieuw worden beoordeeld.
Hoe worden voordelen uit een lucratief belang belast?
Een voordeel uit een lucratief belang wordt normaal gesproken belast in box 1 als resultaat uit overige werkzaamheden. Het tarief kan oplopen tot 49,5%.
Onder voorwaarden kan de heffing via box 2 verlopen. Daarvoor moet het belang worden gehouden via een eigen holding waarin de deelnemer een aanmerkelijk belang heeft. De holding moet ten minste 95% van het ontvangen voordeel in hetzelfde jaar als dividend uitkeren. Dit heet de doorstootverplichting. Wordt niet aan deze voorwaarde voldaan, dan kan box 1-heffing volgen. Als de holding het bedrag later als dividend uitkeert, kan bovendien box 2-heffing ontstaan.
Cijfervoorbeeld
Bij een voordeel van € 1 miljoen kan de box 1-heffing oplopen tot € 495.000. Als aan de voorwaarden voor box 2 wordt voldaan, bedraagt de heffing op basis van de tarieven van 2026 € 305.524[1].
Vanaf 1 januari 2028 wordt de belastingheffing via box 2 mogelijk zwaarder. Bij hoge voordelen stijgt de effectieve belastingdruk dan naar ongeveer 36%. De precieze uitkomst hangt af van de box 2-tarieven die in 2028 gelden.
En als het geen lucratief belang is?
Dan vindt op grond van deze regeling geen belastingheffing in box 1 plaats. Bij een aanmerkelijk belang, doorgaans vanaf 5% van een soort aandelen, valt het voordeel meestal in box 2. Een kleiner privébeleggingsbelang valt in beginsel in box 3. In box 3 wordt belasting geheven over een forfaitair rendement. Als het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement, kan de box 3-heffing op het lagere werkelijke rendement worden gebaseerd.
Wat betekent dit voor u of uw onderneming?
De belangrijkste aandachtspunten zijn:
- Laat de participatiestructuur vooraf beoordelen. Wacht niet tot de onderneming wordt verkocht. Dan zijn de bedragen vaak groot en kunnen afspraken meestal niet meer eenvoudig worden aangepast.
- Breng alle rechten en risico’s in kaart. Leg vast waarom iemand mag deelnemen, hoeveel hij investeert, welk risico hij loopt en hoe de winst wordt verdeeld.
- Controleer de holdingstructuur. Beoordeel of de holding tijdig ten minste 95% van het voordeel in hetzelfde jaar kan uitkeren en daarvoor voldoende geld beschikbaar heeft.
- Houd rekening met 2028. Vanaf dat jaar stijgt de belastingdruk op lucratieve belangen die via box 2 lopen.
Conclusie
De lucratiefbelangregeling moet voorkomen dat een beloning voor werk wordt verpakt als aandelenwinst. Een hoge winst maakt gewone oprichtersaandelen echter niet automatisch tot een lucratief belang. Beslissend zijn vooral de rechten die aan het belang zijn verbonden, het risico dat de aandeelhouder loopt en het verband met zijn werkzaamheden.
Laat een participatiestructuur daarom beoordelen voordat de afspraken worden vastgelegd. Dit artikel geeft algemene informatie en is geen fiscaal advies voor een concrete situatie.
Peter Beets, expert vermogensplanning ABN AMRO MeesPierson.
[1] Dit voorbeeld veronderstelt dat de holding door toepassing van de deelnemingsvrijstelling geen vennootschapsbelasting over het voordeel betaalt.
Geef een reactie