De Deloitte-expat vangt bot met zijn beroep op rechtszekerheid, algemene rechtsbeginselen en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. De rechtbank sluit daarmee volledig aan bij het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2026.
Beschikking verloor eerder haar werking
De werknemer trad op 1 oktober 2016 in dienst bij PwC. In juli 2017 kreeg hij een beschikking voor toepassing van de 30%-regeling met een looptijd tot en met 31 augustus 2023. In die beschikking stond wel dat deze was afgegeven onder voorbehoud van wijzigingen in wet- en regelgeving.
In 2018 kondigde het kabinet aan de maximale looptijd van de regeling terug te brengen van acht naar vijf jaar. De Belastingdienst informeerde houders van een 30%-beschikking daarover eerst in juni 2018 en na aanneming van het Belastingplan 2019 opnieuw in december 2018. Daarbij werd meegedeeld dat beschikkingen met een einddatum in 2021, 2022 of 2023 door het overgangsrecht feitelijk zouden eindigen op 31 december 2020.
De Belastingdienst gaf de werknemer geen nieuwe beschikking met een aangepaste einddatum. Toen hij per 1 september 2021 overstapte naar Deloitte en opnieuw om toepassing van de 30%-regeling verzocht, wees de inspecteur dat verzoek af. Volgens de Belastingdienst was de oorspronkelijke beschikking door het overgangsrecht al op 31 december 2020 geëindigd, zodat geen resterende looptijd meer bestond.
Arrest Hoge Raad
De rechtbank stelt vast dat de Hoge Raad op 13 februari 2026 al heeft geoordeeld dat zowel de verkorting van de looptijd als het beperkte overgangsrecht rechtmatig zijn. Daarmee staat volgens de rechtbank vast dat ook de beschikking van deze werknemer op 31 december 2020 is geëindigd.
De rechtbank wijst erop dat de Hoge Raad in dat arrest expliciet heeft overwogen dat dit oordeel geldt ongeacht of een beschikking oorspronkelijk een looptijd van acht of tien jaar had en ongeacht de begin- en einddatum die in de beschikking zijn vermeld. Ook bestaat volgens de Hoge Raad geen aanleiding het overgangsrecht buiten toepassing te laten wegens strijd met algemene rechtsbeginselen of verdragsrecht.
Geen individuele en buitensporige last
De werknemer voerde aan dat hij ernstig werd getroffen door de materiële terugwerkende kracht van de wetswijziging en dat de verkorting voor hem ingrijpende financiële en persoonlijke gevolgen had. Ook stelde hij dat sprake was van een individuele en buitensporige last.
De rechtbank volgt hem daarin niet. Zij begrijpt dat de verkorting van de looptijd onverwacht en teleurstellend was en dat dit financiële en persoonlijke gevolgen heeft gehad. Dat is volgens de rechtbank echter onvoldoende om de wettelijke regeling buiten toepassing te laten. De werknemer heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven af te wijken van het oordeel van de Hoge Raad. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Het beroep is daarom ongegrond.
Geef een reactie