Een ondernemer richt op 8 mei 2012 een eenmanszaak op die per 15 februari 2019 is ingebracht in een bv. De inspecteur kondigt in 2021 een boekenonderzoek aan naar de aanvaardbaarheid van de ingediende aangifte IB/PVV en de ingediende aangiften omzetbelasting over 2018. Aan de ondernemer zijn in 2018 facturen uitgereikt van een bv waarop de ondernemer een bedrag van € 10.275,- aan voorbelasting in aftrek heeft gebracht. Volgens de ondernemer zijn daarbij door de dga van de bv diverse diensten aan de eenmanszaak geleverd.
Naar aanleiding van de bevindingen in het controlerapport na het boekenonderzoek legt de inspecteur naheffingsaanslagen omzetbelasting op over 2018 en de periode tot 15 februari 2019. Voor 2018 wordt daarnaast een vergrijpboete opgelegd. De ondernemer is van mening dat de inspecteur ten onrechte de in aftrek gebrachte voorbelasting heeft nageheven. En dat hij ten onrechte de kostenaftrek heeft geweigerd in de inkomstenbelasting die betrekking heeft op facturen van de bv.
Facturen vertonen diverse gebreken
De inspecteur stelt dat voor kostenaftrek in de inkomstenbelasting geen aanleiding bestaat omdat niet aannemelijk is dat dat zakelijke kosten zijn. Op de facturen ontbreken volgens de inspecteur de noodzakelijke gegevens om aftrek van voorbelasting mogelijk te maken. Zo staat er op de facturen van de bv geen btw-nummer en is sprake van een onjuist adres. Op het vermelde adres staat een pand dat eigendom is van de ondernemer van de eenmanszaak. Verder heeft de inspecteur aangevoerd dat de bv in 2018 geen belaste omzet heeft aangegeven. Ook de activiteiten die de bv verricht volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel zijn heel anders dan de in de overeenkomst vermelde diensten. Betalingen vinden uitsluitend contant plaats.
Hof ’s-Hertogenbosch overweegt dat wat betreft de formele voorwaarden voor het recht op aftrek geldt dat de belastingplichtige moet beschikken over een factuur die voldoet aan de daaraan wettelijk gestelde eisen. De ondernemer heeft facturen overgelegd van de bv en is van mening dat hij de op die facturen in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek mag brengen. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst hij naar een kasboek, de overeenkomst met de bv en getuigenverklaringen.
Niet duidelijk welke prestatie is verricht
Gelet op wat de inspecteur heeft aangevoerd is het hof van oordeel dat er voldoende reden is voor twijfel of en zo ja welke (belaste) prestatie(s) door de bv aan de ondernemer zijn verricht. Bovendien voldoen de facturen niet aan de gestelde formele vereisten van artikel 35 van de Wet op de omzetbelasting 1968 omdat op deze facturen niet duidelijk is aangegeven welke prestatie is verricht aan de ondernemer.
De verklaringen die de ondernemer heeft overgelegd over de prestaties zijn daartoe onvoldoende. Deze verklaringen kunnen, naar het oordeel van het hof, namelijk niet worden gecontroleerd omdat een nadere onderbouwing met bewijsstukken vrijwel ontbreekt of omdat zij verwijzen naar facturen die fouten bevatten. De overeenkomst die de ondernemer heeft overgelegd is te globaal verwoord en daaruit kan niet worden opgemaakt welke diensten aan hem zijn verricht. Ook de overgelegde verklaringen bieden volgens het hof onvoldoende aanvullend bewijs, omdat ze nauwelijks met stukken kunnen worden gecontroleerd of verwijzen naar facturen die fouten bevatten.
De facturen en de overeenkomst specificeren niet welke (belaste) diensten zijn verricht, zodat ook die onvoldoende duidelijk maken welke diensten zijn verricht aan de ondernemer. Ook kloppen de bedragen op die facturen niet allemaal. Dit brengt mee dat onduidelijk is voor welke bedragen de ondernemer recht op aftrek heeft. De door de ondernemer in aftrek gebrachte bedragen aan omzetbelasting op de facturen van de bv zijn dan ook, naar het oordeel van het hof, terecht gecorrigeerd door de inspecteur.
De ondernemer krijgt in hoger beroep wel deels gelijk. Naar aanleiding van aanvullende facturen die hij heeft overgelegd, concludeert de inspecteur dat de naheffingsaanslag omzetbelasting over 2018 moet worden verminderd van € 9.086,- tot € 8.365,-. Het hof volgt dat standpunt. De naheffingsaanslag over 2019 wordt bovendien verminderd van € 906,- tot € 90,- en de daarbij opgelegde verzuimboete wordt vernietigd.
Ook voor de inkomstenbelasting heeft de ondernemer in hoger beroep aanvullende facturen overgelegd. De inspecteur vermindert daarop de winst uit onderneming met € 6.962,-. De kosten die betrekking hebben op de facturen van de bv blijven echter buiten aftrek.
Inspecteur bewijst grove schuld
De inspecteur heeft vergrijpboeten van 25% opgelegd en gesteld dat te weinig omzetbelasting is voldaan als gevolg van, primair grove schuld of, subsidiair (voorwaardelijk) opzet van de ondernemer. Het is aan de inspecteur om aan te tonen dat sprake is van grove schuld. De inspecteur is van mening dat hij overtuigend heeft bewezen dat de bv geen diensten ten aanzien waarvan de omzetbelasting voor aftrek in aanmerking komt heeft verricht aan de ondernemer.
Volgens de inspecteur had de ondernemer moeten begrijpen dat door deze omzetbelasting toch in aftrek te brengen, te weinig omzetbelasting op aangifte zou worden voldaan (grove schuld). De ondernemer heeft daarom naar de mening van de inspecteur willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat te weinig omzetbelasting op aangifte zou worden voldaan door de omzetbelasting in aftrek te brengen ((voorwaardelijk) opzet).
Vergrijpboete passend en geboden
Het hof is van oordeel dat met wat de inspecteur heeft aangevoerd, volgt dat de ondernemer in elk van de kwartalen van 2018 omzetbelasting in aftrek heeft gebracht op basis van onjuiste en niet complete facturen. De ondernemer heeft op geen enkele wijze een concrete onderbouwing kunnen geven van de diensten die aan hem zouden zijn verricht, wanneer die diensten verricht zouden zijn en welke vergoeding voor de diensten is betaald. Ook de verklaringen van diverse personen die de ondernemer heeft overgelegd, geven daarover geen duidelijkheid.
Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur daarmee overtuigend bewezen dat de ondernemer op het moment dat hij zijn aangiften omzetbelasting deed redelijkerwijs had moeten of kunnen begrijpen dat hij met de gegevens die hij op dat moment voorhanden had, geen aftrek zou krijgen van de omzetbelasting op de facturen van de bv en dus dat te weinig belasting zou worden betaald. Van de ondernemer die zijn eigen administratie en aangiften omzetbelasting deed, mag worden verlangd dat hij zich verdiept in de formele en materiële belastingregels om dat recht op aftrek te kunnen krijgen.
Het hof acht daarom de door de inspecteur opgelegde vergrijpboete, na vermindering en vermindering in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, van € 1.986,- passend en geboden.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, ECLI:NL:GHSHE:2026:1854


Geef een reactie