Wat speelde er?
Een accountantskantoor verrichtte gedurende meerdere jaren werkzaamheden voor drie gelieerde vennootschappen, die uiteindelijk alle drie failliet gingen. De jaarrekeningen van deze vennootschappen bevatten al langere tijd waarschuwingen over “gerede twijfel over continuïteit”. De behandelend accountant had het bestuur bovendien laten weten dat de continuïteit in gevaar kwam en dat het vermoeden bestond dat leningen werden aangetrokken om verplichtingen uit andere leningen te voldoen, een patroon dat kan wijzen op een frauduleuze structuur. De samenstellingsopdracht voor die vennootschap werd ruim een jaar later teruggegeven aan het bestuur. Voor de twee andere, gelieerde vennootschappen werden de werkzaamheden enige tijd daarna eveneens beëindigd.
Daarnaast was de accountant aanwezig bij gesprekken over de verkoop van aandelen en de verschaffing van werkkapitaal, waarbij ook potentiële investeerders aanwezig waren. Beleggers die vervolgens in de vennootschappen investeerden en hun inleg door de faillissementen verloren, spraken het accountantskantoor en de accountant aan uit onrechtmatige daad.
Tegen de betrokken accountant waren eerder twee tuchtklachten gedeeltelijk gegrond verklaard. De eerste (2017) zag op het niet tijdig teruggeven van de samenstellingsopdracht en het ten onrechte niet doen van een melding op grond van de Wft en de Wwft. De tweede (2019) zag op het te laat beëindigen van de werkzaamheden voor de andere twee vennootschappen én op de aanwezigheid van de accountant bij het verkoopoverleg, waardoor bij potentiële investeerders ten onrechte vertrouwen zou zijn gewekt. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevestigde beide tuchtrechtelijke oordelen in hoger beroep.
Welke vorderingen stelden de beleggers in?
De beleggers vorderden schadevergoeding van de accountant en het accountantskantoor op grond van onrechtmatige daad. Zij verweten de accountant dat hij, ondanks aanwijzingen van mogelijk onwettig handelen, niet tijdig onderzoek had ingesteld, geen meldingen had gedaan en dat hij de samenstellingsopdrachten niet tijdig had teruggegeven. Daarnaast zou zijn aanwezigheid bij de bespreking over de aandelenverkoop hebben bijgedragen aan de onterechte indruk dat de vennootschappen solvabele en kredietwaardige ondernemingen waren.
De rechtbank Rotterdam had de vorderingen eerder deels toegewezen, onder meer op de grond dat de aanwezigheid van de accountant bij het verkoopoverleg ten onrechte vertrouwen had gewekt.
Wat oordeelde het gerechtshof?
Toetsingskader: wettelijke versus niet-wettelijke taken
Het hof bevestigt het bestaande toetsingskader. Bij wettelijke taken van de accountant, zoals de wettelijk voorgeschreven jaarrekeningcontrole, bestaat een zorgplicht jegens derden omdat derden hun gedrag op die informatie moeten kunnen afstemmen. Bij niet-wettelijke taken, zoals samenstellingswerkzaamheden, bestaat in beginsel enkel een zorgplicht jegens de opdrachtgever. Een zorgplicht jegens een derde kan alleen ontstaan als de accountant, gelet op de omstandigheden van het geval, wist of behoorde te weten dat zijn rapportage die specifieke derde zou bereiken en dat deze daarop zijn beslissing zou baseren. Dit moet per derde afzonderlijk worden beoordeeld: een zorgplicht jegens de ene derde brengt niet automatisch een zorgplicht jegens een andere derde mee.
Een fraudevermoeden verruimt de zorgplicht niet
De beleggers betoogden dat de toepasselijkheid van de fraude- en wet- en regelgevingsstandaarden (NV COS 240 en NV COS 250) ook bij samenstellingsopdrachten meebrengt dat de zorgplicht jegens derden ruimer moet worden opgevat wanneer sprake is van fraudesignalen. Het hof verwerpt dit uitdrukkelijk: een vermoeden van fraude bij een samenstellingsopdracht kan weliswaar meebrengen dat de accountant bepaalde maatregelen moet nemen, maar dat betekent niet dat hij er daardoor op bedacht moet zijn dat derden hun gedrag op zijn werkzaamheden zullen afstemmen.
Geen aansprakelijkheid bij gebrek aan causaal verband
Het hof laat vervolgens in het midden of de aanwezigheid van de accountant bij het verkoopoverleg onrechtmatig vertrouwen heeft gewekt, omdat de vorderingen hoe dan ook stranden op het ontbreken van causaal verband. De beleggers hadden niet aannemelijk gemaakt dat zij, als de opdracht eerder was teruggegeven of eerder meldingen waren gedaan, daarvan vóór hun investeringsbeslissing op de hoogte zouden zijn geraakt. Ook hadden zij al eerder, los van enige betrokkenheid van de accountant, aanzienlijke bedragen geïnvesteerd op basis van persoonlijk vertrouwen in de bestuurder en diens familie. De gepubliceerde jaarrekeningen met expliciete continuïteitswaarschuwingen hadden hen kennelijk niet van verdere investeringen weerhouden. Bovendien bleek uit de eigen verklaring van de accountant dat hij tijdens het overleg juist had gewaarschuwd voor de zwakke financiële positie van de onderneming, in plaats van tot investeren te hebben aangemoedigd, en bleef de stelling dat hij actief tot investeren had geadviseerd zonder nadere onderbouwing.
Tuchtrecht bewijst geen civiele aansprakelijkheid
Ten overvloede herhaalt het hof de vaste lijn dat een tuchtrechtelijk oordeel dat in strijd is gehandeld met de voor de beroepsgroep geldende normen niet zonder meer meebrengt dat de accountant civielrechtelijk aansprakelijk is voor de gestelde schade. Nu de vorderingen al stranden op het ontbreken van causaal verband, bevestigt dit uitgangspunt dat de eerder gegrond verklaarde tuchtklachten op zichzelf onvoldoende zijn om civielrechtelijke aansprakelijkheid jegens de investeerders te vestigen. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank in zijn geheel en wijst alle vorderingen van de beleggers af, met veroordeling van de beleggers in de proceskosten van beide instanties.
Conclusie voor de praktijk
Dit arrest bevestigt en verduidelijkt de grenzen van de civielrechtelijke zorgplicht voor accountants. Bij wettelijke taken, zoals de jaarrekeningcontrole, bestaat een zorgplicht jegens derden. Bij niet-wettelijke taken, zoals samenstellingswerkzaamheden, bestaat behoudens bijzondere omstandigheden enkel een zorgplicht jegens de opdrachtgever. Dit geldt ook wanneer de accountant fraudesignalen of continuïteitsproblemen signaleert.
Voor de praktijk geldt dat een professioneel-kritische opstelling, tijdige opvolging van signalen en terughoudendheid bij transacties van klanten met derden de meest effectieve bescherming vormen tegen zowel tuchtrechtelijke als civielrechtelijke aansprakelijkheid. Dit arrest laat overigens zien dat een tuchtrechtelijke fout, zoals het te laat teruggeven van een opdracht, niet automatisch tot civielrechtelijke aansprakelijkheid leidt. Daarvoor is steeds een zelfstandige beoordeling van zorgplicht én causaal verband vereist.
Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2026:2327.

Dit artikel is geschreven door Davide Hazenberg, advocaat Insolventierecht & Herstructurering bij act legal Netherlands.


Geef een reactie