De coalitiepartijen overleggen donderdag verder over de begroting. Vrijdag komt de ministerraad bijeen. Minister van Financiën Eelco Heinen (VVD) zei woensdag dat hij de begrotingspuzzel inhoudelijk heeft gelegd. De komende dagen moet het kabinet vooral voldoende politieke steun zien te vinden voor de plannen. Dat is noodzakelijk omdat het minderheidskabinet geen meerderheid heeft in de Tweede en Eerste Kamer.
Box 3
Volgens het FD is box 3 een van de springende punten in het overleg. De Tweede Kamer stemde in februari in met de Wet werkelijk rendement box 3. Vanaf 2028 moet daarmee niet langer een verondersteld, maar het werkelijke rendement op spaargeld, beleggingen en ander vermogen worden belast. Onder meer VVD en CDA stemden voor het voorstel. In de Eerste Kamer bestaat echter veel kritiek op de wet. De senaat stelde de stemming eind juni uit tot de behandeling van een door het kabinet aangekondigde novelle, waarmee het voorstel wordt aangepast. Volgens het FD dreigt het voorstel in de Eerste Kamer te sneuvelen, onder meer doordat VVD en CDA overwegen tegen te stemmen.
Waardestijging
Een belangrijk discussiepunt is de manier waarop waardestijgingen worden belast. In het aangenomen wetsvoorstel geldt voor aandelen en veel andere beleggingen een vermogensaanwasbelasting. Daardoor wordt jaarlijks belasting geheven over de waardestijging, ook als een belegger zijn aandelen niet heeft verkocht.
Voor onder meer vastgoed en aandelen in kwalificerende startende ondernemingen geldt een ander systeem: de vermogenswinstbelasting. Daarbij wordt de waardestijging pas belast als de winst daadwerkelijk wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld bij verkoop.
Hoge kosten
Het kabinet onderzoekt aanpassingen van de wet en kijkt daarbij ook naar een bredere toepassing van de vermogenswinstbelasting. Dat kan echter grote gevolgen hebben voor de overheidsfinanciën. Volgens het FD kost het de schatkist de komende jaren miljarden om de plannen aan te passen. Ook het laten sneuvelen of verder uitstellen van de nieuwe box 3-wet is kostbaar. Het kabinet waarschuwde eerder dat afwijzing van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer een gat van ongeveer €2,4 miljard in de begroting kan veroorzaken.
Klem
Daarmee zit het kabinet klem. Aanpassing van box 3 kan miljarden kosten, maar ook het niet invoeren van het nieuwe stelsel leidt tot een forse tegenvaller. D66, VVD en CDA moeten bij de begrotingsonderhandelingen daarom niet alleen overeenstemming bereiken over de vorm van de vermogensbelasting, maar ook over de dekking van eventuele tegenvallers.


Het artikel geeft in hoofdlijnen weer wat de status.
Het probleem is echter niet zo zeer de keuze tussen een vermogensaanwasbelasting of een vermogenswinstbelasting.
Het probleem is met name dat al jaren de inflatiecomponent wordt belast.
Zie ook mijn eerdere reacties bij het artikel “Kamer wil verliezen kunnen verrekenen in aangepaste box 3″ van 27 februari, het artikel “Kabinet houdt vast aan box 3-tussenstap, ondanks roep om vermogenswinstbelasting” van 15 juni, het artikel “Box 3-wet toch nog voor zomerreces op agenda Eerste Kamer” van 16 juni en het artikel “Eerste Kamer stelt stemming over box 3 uit, kabinet krijgt zomer voor aanpassingen” van 5 juli.
Gelukkig hebben 5 fracties in de Eerste Kamer nadrukkelijk aangaven dat in feite de inflatie component niet belast moet worden.
Dat zijn de BBB, JA21, de VVD, FvD en de PVV.
Hopelijk volgen meer fracties.
Het argument dat de voorliggende Wet werkelijk rendement Box 3 nodig is omdat er anders budget verlies optreedt is niet verdedigbaar op grond van rechtvaardigheid en het is ook de vraag of de genoemde bedragen werkelijk zo hoog zijn.
Tegenover het huidige beperken van de maximale rendement staat ook dat de kosten en inflatie niet worden verwerkt en verder dat negatieve rendementen niet verder worden gecompenseerd dan een rendement van 0%.
Dat terwijl jaren met negatieve rendementen in de jaren daarna doorwerken.
In een document van toenmalig staatssecretaris Marnix van Rij van 29 september 2022 staat letterlijk :
In het box 3-stelsel zoals dat werd ingevoerd in 2001 werd expliciet rekening gehouden met de inflatiecomponent. Het forfaitaire rendement werd bij invoering zodanig vastgesteld dat de inflatiecomponent onbelast zou blijven; men ging destijds uit van een reëel forfaitair rendement.
In het advies van de Raad van State van 2 december 2024 wordt geadviseerd om de budgettaire neutraliteit als uitgangspunt los te laten waardoor box 3-alternatieven mogelijk worden. Ook wordt aangegeven dat binnen de eisen van artikel 14 EVRM en 1 EP EVRM en de Hoge Raad arresten een forfaitair stelsel gebaseerd op laagrisico rendementen kan worden overwogen.
De reële rendementen vóór belasting zijn vaak veel lager dan verondersteld.
Ook moet het niet steeds ingewikkelder worden maar juist eenvoudiger.
Zoals in mijn reactie op het artikel van 27 februari is onderbouwd kan worden gekozen voor een belastingheffing voor beleggen van 0,40% op basis van de 1 januari vermogens.
Aangezien sparen al jaren op een negatief reëel rendement uitkomt kan daarvoor een belastingheffing van 0% worden aangehouden.
Dus 2 percentages voor belastheffingen op basis van de 1 januari vermogens.
Een jaarlijks bij te stellen mogelijkheid is om terug te gaan naar de oorsprong van Box 3 met één forfaitair rendement voor alle Box 3 posten. Dat is op basis van de reële rendementen van de jongste tienjarige Nederlandse staatsobligaties minus 1% kosten. Dat kan bijvoorbeeld ook elk belastingjaar gemiddeld worden over de voorgaande 10 jaar.
Er is dan in feite gemiddeld budget neutraliteit met een deel van de staatsschuld. Als de rente op de staatsschuld stijgt, stijgen ook de inkomsten uit Box 3 en omgekeerd. Dat geldt ook reëel. Het is ook niet redelijk dat de staat een hoger reëel forfaitair rendement kiest voor haar burgers dan dat zijzelf uitkeert op staatsobligaties.
Belasten met één forfaitair rendement voor beleggen sluit ook aan op de plannen van de Europese Unie om investeringen door particulieren aan te moedigen en het door haar genoemde voorbeeld van de Zweedse “Investment Savings Account” (ISK). Het geeft de belastingbetaler voorspelbaarheid en rust. Dat geldt ook voor de belastingontvanger.
Zal er onder onze politici nu bij de begroting en wat er nog volgt op grond van de genoemde bevindingen worden gezocht naar oplossingen die simpel zijn en rekening houden met de gevolgen van de belastingheffing op met name de koopkracht van de belastingbetaler met sparen en beleggen over een periode van meer jaren?