Een man liet zijn adviseur de aangifte box 3 baseren op het werkelijk rendement. De adviseur deed dat door een fictieve schuld van ruim € 25 miljoen op te nemen, waardoor het aangegeven box 3-inkomen sterk werd gedrukt. Een intern HOT/HOR-bericht dat de inspecteur pas na het opleggen van de aanslag ontving, levert volgens de rechtbank een nieuw feit op dat navordering mogelijk maakt.
Fictieve schuld moest box 3-inkomen verlagen
De man diende over 2020 via zijn toenmalige adviseur een aangifte inkomstenbelasting in. De adviseur had met de Belastingdienst een convenant gesloten over horizontaal toezicht en de man viel daar op dat moment onder.
De man had zijn adviseur gevraagd om in de aangifte uit te gaan van het werkelijk rendement. De adviseur gaf daaraan uitvoering door een fictieve schuld van € 25.264.675 op te nemen, met de omschrijving: „Vermindering vermogen ivm heffing over werkelijk rendement.” Daardoor resteerde een grondslag sparen en beleggen van € 84.458 en een aangegeven fictief voordeel uit sparen en beleggen van slechts € 1.789. De man beriep zich daarbij op het Kerstarrest.
De aangifte werd door de Belastingdienst uitgeworpen omdat het aangegeven loon uit vroegere dienstbetrekking niet overeenkwam met de informatie van de uitkerende instantie. In lijn met de afspraken uit het HT-convenant nam de inspecteur telefonisch contact op met de adviseur. Hij corrigeerde de looncomponent handmatig en legde vervolgens de aanslag op.
Intern bericht leidt tot navordering
Na het opleggen van de aanslag ontving de inspecteur via de interne systemen een HOT/HOR-bericht met het verzoek de aanslag te controleren. Bij die controle ontdekte hij de fictieve schuld. Hij concludeerde dat de aangifte op dit punt onjuist was en kondigde een navorderingsaanslag en een vergrijpboete aan.
De man diende daarna een herziene aangifte in, waarin het fictieve voordeel uit sparen en beleggen werd berekend op € 1.272.591. De inspecteur legde de navorderingsaanslag aanvankelijk op basis van die herziene aangifte op. In bezwaar werd het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verminderd tot € 225.776, het werkelijke rendement dat tussen partijen niet in geschil was. De vergrijpboete werd tegelijkertijd verlaagd van € 40.000 naar € 20.000 en de schuldkwalificatie werd gewijzigd van (voorwaardelijk) opzet naar grove schuld.
Geen ambtelijk verzuim
De man voerde bij de rechtbank aan dat de inspecteur bij de eerste uitworp van de aangifte al aanleiding had moeten zien om ook het box 3-inkomen te controleren. Door dat na te laten zou de inspecteur zijn onderzoeksplicht hebben geschonden. Dat zou een ambtelijk verzuim opleveren en daarmee aan navordering in de weg staan.
De rechtbank volgt dat standpunt niet. Als uitgangspunt geldt dat de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag mag uitgaan van de juistheid van de aangifte. Nader onderzoek is pas nodig als hij, na met normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de aangifte, in redelijkheid aan de juistheid van een gegeven behoort te twijfelen.
Daarbij speelt in deze zaak het horizontaal toezicht een belangrijke rol. De inspecteur lichtte op de zitting toe dat aangiften die door de adviseur onder het convenant werden ingediend niet integraal werden gecontroleerd. Als een aangifte vanwege een bepaald risico werd uitgeworpen, werd over dat specifieke risico contact opgenomen met de adviseur. De Belastingdienst mocht er onder het convenant op vertrouwen dat de aangifte voor het overige juist was.
De inspecteur hoefde daarom volgens de rechtbank naar aanleiding van de uitworp wegens het loon uit vroegere dienstbetrekking geen onderzoek te doen naar box 3. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat onder horizontaal toezicht de adviseur zelf contact opneemt met de inspecteur wanneer in een aangifte een standpunt wordt ingenomen waarover verschil van mening kan bestaan. Dat was hier niet gebeurd.
Van een ambtelijk verzuim is daarom geen sprake. Het HOT/HOR-bericht dat de inspecteur na het opleggen van de aanslag ontving, vormt volgens de rechtbank een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. De subsidiaire standpunten van de inspecteur dat sprake was van kwade trouw of een kenbare fout hoefden daardoor niet meer te worden behandeld.
Grove schuld door gebrek aan controle
Ook de vergrijpboete blijft in stand. Daarbij beoordeelt de rechtbank uitsluitend of sprake is van grove schuld. De inspecteur had de schuldkwalificatie in bezwaar immers gewijzigd van (voorwaardelijk) opzet naar grove schuld. Volgens de rechtbank zou het in strijd zijn met artikel 6 EVRM om in beroep alsnog uit te gaan van (voorwaardelijk) opzet.
De man verklaarde op de zitting dat hij de aangifte wel voor akkoord had ondertekend, maar inhoudelijk niet had gecontroleerd. Dat neemt volgens de rechtbank zijn verantwoordelijkheid niet weg. Hij had zelf het initiatief genomen om zijn adviseur te vragen in de aangifte slechts het gestelde werkelijke rendement aan te geven, terwijl het aangiftebiljet geen ruimte bood om op die manier aangifte te doen. Juist daarom had hij moeten controleren hoe de adviseur zijn verzoek had verwerkt en of het opgegeven rendement juist was.
Dat deed hij niet. De adviseur had het verzoek uitgevoerd door de fictieve schuld van ruim € 25 miljoen op te voeren. Het was volgens de uitspraak bovendien de enige aangifte die deze adviseur op die manier had ingediend. Het aangegeven voordeel van € 1.789 week daarnaast sterk af van het uiteindelijk vastgestelde werkelijke rendement van € 225.776.
De rechtbank vindt dat de man in de samenwerking met zijn adviseur zo onzorgvuldig en onachtzaam heeft gehandeld dat het aan zijn grove schuld is te wijten dat de aangifte onjuist was. Daarbij overweegt de rechtbank dat hij er bewust voor heeft gekozen het Kerstarrest in de aangifte te laten toepassen op een wijze die volgens de rechtbank „volstrekt onaanvaardbaar” was.
De in bezwaar tot € 20.000 verminderde boete acht de rechtbank passend en geboden. Wel wordt die ambtshalve met 10% gematigd, omdat de redelijke termijn voor de boeteprocedure met negen maanden is overschreden. Daardoor resteert een boete van € 18.000.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De navorderingsaanslag, waarbij uiteindelijk € 225.776 aan werkelijk rendement in box 3 in de heffing is betrokken, blijft in stand. Alleen de boete wordt vanwege de termijnoverschrijding verder verminderd.


HT lijkt een giga werkbesparing voor de fiscus op te kunnen leveren, maar wat was het nut van HT ook al weer voor de belastingplichtige?