
Een man drijft in de jaren 2014 tot en met 2017 een café dat hij huurt van zijn broer. Hij woont zelf in de boven het café gelegen woning. Ook huurt de man de complete inboedel en inventaris van het café. Voor het voeren van de administratie laat hij zich bijstaan door twee adviseurs. De man doet zelf de dagelijkse administratie, bestaande uit (inkoop)facturen en notities van de dagelijkse omzet. In 2018 gaat de caféhouder failliet.
Tot het dossier hoort een schriftelijke verklaring van de adviseurs waarin ze de caféhouder ervan proberen te overtuigen dat hij een complete kasstaat moet bijwerken. Uit de kasstaat moet het begin-eindsaldo van de kas blijken en de ontvangsten en uitgaven waardoor de kas controleerbaar is. In de schriftelijke verklaring van de adviseurs is ook vermeld dat op de bankrekening meer wordt ontvangen dan uit de kas kan worden geboekt. Ook blijkt er een tekort in de kas te zijn van € 30.000,-.
Gebreken en tekortkomingen in administratie
Eind 2017 voert de inspecteur bij de caféhouder een integrale handhavingsactie uit. In het verslag dat daarbij is opgesteld wordt de caféhouder gewezen op zijn administratie-en bewaarplicht. Daarna stelt de inspecteur een boekenonderzoek en een derdenonderzoek in naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV en de aangiften omzetbelasting. Tijdens het onderzoek zijn diverse gebreken en tekortkomingen in de administratie vastgesteld.
Zo sluit de opgesteld beginbalans 2015 niet aan bij de eindbalans van 2014 en is er veel onduidelijkheid over de balansposten. Op de balans zijn, door de adviseurs, posten opgenomen die feitelijk niet als zakelijk zijn aan te merken of waarvan de zakelijkheid tijdens het onderzoek niet aangetoond is. De bijbehorende afschrijvingskosten zijn ten onrechte ten laste van de winst gebracht. De adviseurs geven aan dat ze de caféhouder diverse keren om informatie hebben verzocht maar dat ze deze slechts in beperkte mate hebben ontvangen waardoor zij de administratie opgemaakt hebben aan de hand van de door de caféhouder ter beschikking gestelde stukken.
Omdat de caféhouder de aangiften IB/PVV en de aangiften omzetbelasting niet (tijdig) indient legt de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV en omzetbelasting op en verzuim-en vergrijpboetes. De caféhouder maakt bezwaar voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant die het bezwaar van de caféhouder tegen de navorderingsaanslagen vernietigt waarop de caféhouder in beroep gaat bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Administratieplicht en vereiste aangiften
Het geschil heeft betrekking op de vraag of de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard, maar meer nog gaat het erom of de caféhouder heeft voldaan aan de administratieplicht en of hij de vereiste aangiften heeft gedaan. Het hof overweegt dat in artikel 27e, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen is bepaald dat als de vereiste aangifte niet is gedaan, het beroep van de belastingplichtige ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.
Bij de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast krijgt de caféhouder in plaats van de inspecteur de bewijslast met betrekking tot de hoogte van de aanslag (omkering) en wordt bovendien de bewijslast verzwaard. Omdat voor de jaren 2015 tot en met 2017 niet de vereiste aangiften zijn gedaan moet de caféhouder overtuigend aantonen dat, en in hoeverre, de aanslag te hoog is.
Omdat de inspecteur ten aanzien van de caféhouder voor de genoemde aangiften geen informatiebeschikking heeft genomen, kan omkering en verzwaring van de bewijslast met toepassing van artikel 27e, lid 1, AWR wegens het enkel niet voldoen aan de administratie- en de bewaarplicht, niet aan de orde zijn, naar het oordeel van het hof. De inspecteur dient aannemelijk dienen te maken dat sprake is van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de vereiste aangiften voor de IB/PVV en omzetbelasting niet zijn gedaan.
Een van die omstandigheden kan zijn dat de administratie zodanige gebreken en tekortkomingen bevat dat deze niet kan dienen als grondslag voor de winst- en omzetberekening. Ernstige gebreken en tekortkomingen in de administratie van belastingplichtige kunnen leiden tot de conclusie dat niet de vereiste aangifte is gedaan.
Veel contante ontvangsten
Het hof oordeelt dat ten aanzien van de gebreken in de administratie de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat aan de administratie van de caféhouder ernstige gebreken kleven. Naast de al eerder genoemde onduidelijkheid over de balansposten wordt voor het hof duidelijk dat de caféhouder geen sluitende kasadministratie heeft bijgehouden. Dat, terwijl een zeer groot deel van de inkomsten van de onderneming contant worden ontvangen.
Het hof is van oordeel dat voor een goed en volledig overzicht van de geldstromen binnen de onderneming een doorlopende en volledige kasadministratie, die aansluiting vindt met de rest van de administratie en die bovendien te controleren is, van wezenlijk belang. De caféhouder is door zijn adviseurs gewezen op het belang van het voeren van een deugdelijke administratie. Deze gebreken zijn van zodanige aard en omvang dat zij leiden tot de conclusie dat de administratie niet voldeed aan de in artikel 52, lid 1, AWR geformuleerde eisen en dat zij dus niet kan dienen als grondslag voor de winst- en omzetberekening.
Nu is vastgesteld dat de administratie geen betrouwbare grondslag vormt voor de winst- en omzetberekening is het aan de inspecteur om te komen met een gemotiveerde schatting van de hoogte van de winst respectievelijk omzet. Daarna is het, naar het oordeel van het hof, aan de caféhouder om aan te tonen dat zijn winst en omzet lager is dan door de inspecteur is berekend.
Branchecijfers Rabobank
De inspecteur is bij het bepalen van de winst en de omzet uitgegaan van de inkopen, zoals die in de administratie voorkomen en heeft vervolgens een brutowinstpercentage van 400% (drank hoog) en 500% (drank laag) gehanteerd. Daarbij heeft de inspecteur aangegeven dat de hoogte van de gehanteerde marge mede wordt veroorzaakt door het gegeven dat de inkopen drank hoog voor slechts 40% bestaan uit bier. Omdat de caféhouder de omvang van de inkopen niet heeft betwist, is het naar het oordeel van het hof aanvaardbaar voor de inspecteur om bij diens ‘gemotiveerde schatting’ van de ‘inkopen zoals die uit de administratie blijken’, uit te gaan.
De caféhouder stelt dat de door de inspecteur gehanteerde brutowinstpercentages niet redelijk zijn en verwijst daarbij naar branchecijfers van de Rabobank. Het hof is van oordeel dat de inspecteur de bruto winstpercentages baseert op de in- en verkoopprijzen en informatie die verstrekt is tijdens het inleidend gesprek door de caféhouder zelf. De branchecijfers van de Rabobank betreffen een percentage van de omzet en niet van de inkoopwaarde.
Schatting moet redelijk en niet willekeurig zijn
Behalve de hoogt van de schatting dient het hof te bepalen of de schatting die de inspecteur heeft gemaakt redelijk en niet willekeurig is. De caféhouder betwist dat de schatting redelijk is. Hij stelt dat het kasverschil kan worden verklaard door een storting van € 16.000,- en een lening van zijn broer. Als deze storting en lening in aanmerking worden genomen, verdwijnt het kasverschil volgende caféhouder. Ook zijn de door de inspecteur gehanteerde brutowinstmarges volgens hem niet redelijk. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat ter onderbouwing van de winst- en omzetcorrecties bij de berekening van de feitelijk behaalde winst en omzet van het café moet worden uitgegaan van de gegevens zoals in het controlerapport is vermeld.
Het hof oordeelt dat de stelling van de caféhouder niet aannemelijk is, dat het kasverschil kan worden verklaard door een storting en lening, dat de correctie goodwill dient te worden teruggenomen en dat de door de caféhouder maandelijks betaalde bedragen van € 1.000,- en € 250,- dienen te worden aangemerkt als zakelijke kosten, bij gebreke van een onderbouwing. De caféhouder heeft geen enkel bewijs geleverd waaruit het verschil tussen zijn inkomsten en uitgaven aannemelijk wordt.
Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur het van hem verlangde bewijs geleverd dat de administratie onvolledig was en dat de caféhouder zijn omzet niet op de juiste wijze heeft geadministreerd. De inspecteur heeft daarmee aangetoond dat het aan grove schuld van de caféhouder te wijten is dat hij te weinig belasting zou betalen. De opgelegde verzuim-en vergrijpboetes zijn daarom naar het oordeel van het hof passend en geboden.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, ECLI:NL:GHSHE:2024:4085
Geef een reactie